Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: III
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1892
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl III)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205153
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
mijn kopje? Zoo, Mietje! (doen) gij dat? Ik (weten)
reeds als kind, dat God de aarde en den hemel
(scheppen). (Denken) gij wel om uwe boodschap?
("VYerken) gij verleden week met ijver ? Die men-
schen (pochen) zoo dikwijls op hunne stilzwijgendheid,
maar nu (praten) zij toch te veel. (Morsen) gij die
inkt op mijne schrijftafel. Jan? Neen, vader! ik
(spelen) den geheelen middag in den tuin, tot de
meid mij (roepen). De boeren (bemesten) hun land
te schraal, de wortels, der planten (vinden) geen
voedsel genoeg; daardoor (halen) zij niet veel koren
van hun land. (Bouwen) uw oom dat nieuwe huis ?
Ja, vader (wagen) het met hem en het (berouwen)
hem niet. De warmte (vervelen) mij. Daarom (baden)
ik mij flink. Dat (helpen). De meiden (dweilen)
eerst den vloer en toen (schuren) zij mijne klompen.
De burgemeester (beloven) mij zijne medewerking
en daardoor (krijgen) ik die betrekking. (Vervullen)
uw voorganger die lang en met eere ? Ja, hij (staan)
niim vijf en twintig jaar flink op zijnen post.
8.
Maak den voltooid tegeuwoordigen tijd der
werkwoorden:
vallen vlieden sterven blijven
komen vriezen worden slinken
verdwijnen verschijnen vertrekken schrijden
neerzijgen rijzen zinken groeien