Boekgegevens
Titel: Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dekker, Dirk
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, Van de Grampel & Bakker, 1877
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 239 : 3e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205148
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
8S
>
9. Welk woord is verlaten hier?
10. Breng de laatste vier regels in proza over.
Verklaar de volgende uitdrukkingen,
1. Een nevelachtige dag, 7. Een diepe indruk.
2. Een nevelachtig landschap. 8. Een versehe indruk.
5. Een gevierd dichter. 9. De oude dag.
4. Een uitgebrachte toast. lO. De jongste dag.
5. Een gegkte term. 11. Het nijvere Twente.
6. Eene pijnlyke stille. 12, Een oude kennis.
Het bijv. naamw. onverbeterlijk heeft eene gunstige
en eene ongunstige beteekenis. In welke van de vol-
gende zinnen komt het in de eerste, in welke in de
laatste beteekenis voor?
1. Die onverbeterlijke dronkaard zal zich zei ven en
z^n gezin arm en ellendig maken.
2. Oom Jan is een onverbeterlijk verteller.
3. Piet is een onverbeterlgke babbelaar.
4. Gerrit is als tuinman onverbeterlijk.
Is het in onderstaande zinnen onverschillig of men
gebruikt maakt van elkander, zich, 'ons oi hem?
Zy hebben elkander erg bezeerd.
» » ons » »
5. » » zich » »
4. » » hem » a