Boekgegevens
Titel: Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dekker, Dirk
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, Van de Grampel & Bakker, 1877
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 239 : 3e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205148
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
80
Mei weèi'slaan of weêrspreken.
lek wist niet wat ick zei, nu heb ik mij verstaan,
'k Sie, dien de sclioen wel past, die trekt hem gaeren aan.
1. Iets scherps zeggen, wat is dat?
2. Welk woord is haar? En wat?
3. Wat kan men zeggen in plaats van menschen haar
gebreken ?
4. Vervoeg 't werkwoord dunken in de Aant. wijs.
5. Wanneer noemt men iemand onnoozel?
6. Plaatst men dat woord alleen voor namen van per-
sonen?
7. Wat is iveerslaan en weerspreken?
8. Wat beteekent de uitdrukking: Nu heb ik mij
verstaan?
9. Welk woord is gaeren hier?
Verklaar de volgende uitdrukkingen.
1.Een trotsch gebouw. 6. Eene ongehoorde misdaad.
2. Een openbaar gebouw. 7. Een warm voorstander.
3. Een avontuurlgk leven. 8. Een onherstelbaar verlies.
4. Een schitterend voorbeeld. 9. De grijze voortijd.
5. Een schitterend verleden. 10. Eenonwankelbaarbesluit.
Wat beteekenen de volgende uitdrukkingen?
De voorzetsels regeeren den vierden naamval.
Het woord aantal beheerscht het werkwoord.