Boekgegevens
Titel: Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dekker, Dirk
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, Van de Grampel & Bakker, 1877
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 239 : 3e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205148
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
68
Is «at hier volgt ook een puntdicht?
»In alles heerscht op aard een stage afwisseling;
»Ik stem dit gaarne toe; doch ééne uitzondering
»Schiet mg, zoo menigmaal ik Piger zie, te binnen,
»Daar deze wet niet geldt ten aauzien van zgn linnen."
Wat wil de dichter daar nu meè zeggen?
Wanneer noemt men iemand een leeuw, een lam,
een ezel, een bloedzuiger, eene slang, een zwijn, een
haas, een kwartel, een kalf, een tijger 1
Bestaat er verschil tusschen eindeloos en oneindig, han-
deloos en onhandig, gedachteloos en ongedacht, grenzen-
loos en onbegrensd, noodeloos en onnoodig, schaamteloos en
onbeschaamd, sprakeloos en onbespraakt, teugelloos en on-
beteugeld, vlekkeloos en onbevlekt, wolkeloos en onbewolkt,
bloedeloos en onbloedig, achteloos en ongeacht, duldeloos
en ongeduldig, hopeloos en ongehoopt, mateloos en onge-
meten, radeloos en ongeraden, redeloos en onredelijk,
rusteloos en ongerust, talloos en ongeteld?
Om te ontleden. Den jongen Hip die groote hond achterna.
De jongen liep dien grooten hond achterna.
Woord-ontleding. Uw wenschen doet het niet, uw wer-
ken moet het maken;
Den leeuw, die slaapt, loopt zoo maar
't wild niet in de kaken. —