Boekgegevens
Titel: Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dekker, Dirk
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, Van de Grampel & Bakker, 1877
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 239 : 3e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205148
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
65
S. Welke fout merkt gij nu op in den 4CB regel?
d. Wat beteekent de uitdrukking: Soo stelt ze zich
gerust?
7. Welk woord is jsoo hier? Kan xoo ook een bgw. zijn?
8. Wat is een geestig lied?
9. Welk woord is der in den vyfden regel? Waarom?
10. Wat beteekent 't woord druk?
11. In welken naamval staat 't woord hem?
12. Welk woord kan men in de plaats van tot zetten?
12. Wat zgn groote kwaden? Wat zijn plagen?
14. Moet gij in den laatsten regel als of dan gebrui-
ken? Waarom?
Verklaar de volgende uitdrukkingen.
1. Een nederig dak. 7. Het ruwe noorden.
2, De uiterste nood. 8. Een roerend schouwspel.
5. Het eenzame strand. 9. Een halve maatregel.
4. Een hol geluid. 10. Een dure plicht.
8. De eeuwige sneeuw. 11, Een vluchtig overzicht.
6. Een aandoenlijk tooneel. 12. Een nauw verband.
Geef de punten van overeenkomst en van verschil
op tusschen eene school en eene kerk, een appel en
eene peer, sneeuw en hagel, eene pen en een potlood,
eene zwaan en eeae gans, de hand en den voet.
Valt er ook iets aan te merken op de volgende sluitredenen?