Boekgegevens
Titel: Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dekker, Dirk
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, Van de Grampel & Bakker, 1877
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 239 : 3e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205148
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
De natuur heeft geslapen, maar ontwaakt tot een nieuw
leven. De wintervorst legt zijn sehepterneer, de somer stijgt
ten troon en ledigt het mateloos graf van sneeuw en ijs,
om er bloemen en kruiden met een weste windje te doen
stoeien. Het ijs is weggesmolten, de weiden trekken het
frissehe groene zomerkleed aan, de bloemen steken roode
en witte kelken omhoog, de leeuwerik heft zijn jubellied
aan, hoog in de lucht, heuvels en bosschen worden omhangen
met een mantel van sierlijk groen, de zachte zoele winden
doen een regen van zilveren bloesem op mij nederstroomen,
de beek kabbelt lustig langs haar bloemrijke oevers, de
velden weergalmen van het geblaat der grazende kudden.
Uit ))De vijf werelddeelen."
Verklaar de cursief gedrukte zinnen, en beproef ook
eens, eene beschrijving van de Lente te geven.
Bestaat er ook eenig verband tusschen de beteekenis
van elk paar der volgende woorden?
zenden — afgezant. buigen — boogschutter,
stellen — stalling. zien — ontzag,
liggen — aardlaag. blinken — blankheid,
springen — oorsprong. meten — lengtemaat,
breken — breuk. varen — voerman,
bieden — aanbod. gieten — dakgoot,
klieven — kluifjes. druipen — druppel,
stuiten — stoot. gaan — ingang,
staan — tegenstand. doen — weldaad,
denken — aandacht. schenden — schande.