Boekgegevens
Titel: Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dekker, Dirk
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, Van de Grampel & Bakker, 1877
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 239 : 3e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205148
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
4. Waarom noemt hij de waarheid geen zoon van den tijd?
5. Is indringen en bedwingen helzelfde?
6. Wat zoudt gij kunnen zeggen in plaats van de felle rots?
7. Welk woord is schoon in den isicn en regel?
Welk woord is al in de volgende zinnen?
1. Al mijne vrienden Loden mij hunne hulp aan,
2. Al is de leugen nog zoo snel, de waarheid achter-
haalt haar we),
3. Daar komt de storm al opzetten.
4. Heer! Gij weet mijn zitten en mijn opstaan! Gij
kent van verre mijne gedachten! Als er nog geen
woord op mijne tong is, zie Heer! Gij weet het al.
I. Wanneer plaatst men achter den stam van een ge-
lijkvloeiend werkw. in den onvolm, verK tijd den tijds-
uitgang rfe, wanneer 2. Wanneer krijgt't veri, deelw.
van zoodanig werkw. eene rf, wanneer eene 1? 3, Hoe
verklaart gij nu, dat men toch schrijft;
Ik verhuisrfe en ik ben verhuisd.
Ik geloofde » ik heb gelooff/.
Ik svQGsde » ik heb gevreesd.
Ik beproefde » ik heb beproefd.
4. Maar welke onregelmatigheid merkt gij thans op
in de spelling van 't verleden deelw, geweeslF