Boekgegevens
Titel: Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dekker, Dirk
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, Van de Grampel & Bakker, 1877
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 239 : 3e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205148
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
54
Merkt gij ook eenig verband op tusschen de betceke-
nis van:
Band en verbinden. denken en aandachtig.
wonen » gewoonlijk. mogen » mogelijk.
last » lastig. sluiten » sleutel.
treffen » voortreffelijk, lang » lengte.
waar )> beweren. buigen » beugel.
weg » bewegen. hangen » hengel.
gaarne » begeeren. breed )) uitbreiden.
midden )) middag. rijden » ridder.
welen )) bewustheid. raad. » beraadslagen.
mijn (vnw.)» gemeenschap. lam (bijv. nv.) » belemmeren.
Ons huis slaat tusschen de school en tusschen de kerk.
Hoeveelmaal moeten we in dezen zin 't voorzetsel
tusschen gebruiken, en waarom?
1. De burgemeester leeft op een grooten voet: hij is een
vermogend man.
2. Onze ouders hebben aanspraak op onze liefde en ach-
ting: zij verzorgen ons van onze jeugd af aan.
3. Die man wordt naar de gevangenis gebracht: hy heeft
zich aan diefstal schuldig gemaakt.
4. Jan kwam gisteren buitengewoon vroolijk uit de school
te huis: hij had den eersten prijs gekregen.
6. Grootmoeder trakteert van daagop wafelen: zij isjarig.
6. Pieter is treurig: zijne goede moeder is gestorven.