Boekgegevens
Titel: Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dekker, Dirk
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, Van de Grampel & Bakker, 1877
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 239 : 3e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205148
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
X
8
Druk zacht mijn dooden^ lijkgestecnie!
En dek ook eerlang mijn gebeente.
En V overschot, dfït mij behoort.
Waartoe dienen de voegwoorden?
In de volgende zinnen komen voegwoorden voor;
wijs ze aan, en zeg, wal er op hun gebruik valt aan te
merken.
1. Joost gaat nu reeds vijfjaren ter school, ofschoon
hij nog niet eens de lafel van vermenigvuldiging
kent.
0 'l Zal nog wel drie maanden duren eer onze nieuwe
woning klaar is; zoodat we ons oude huis wel kun-
nen afbreken.
3. In den zomer is het warm; daarom gebruiken wij
in den winter eene kachel.
4. Klaas zingt valsch, maar hij leest eentonig.
O. Als twee maal twee vier en driemaal drie negen is.
dan is stellig vier even en negen oneven.
6. Omdat er tusschen Amsterdam en Haarlem een
spoorweg ligt, doel de voorzichtige Hein de reis
altijd met de trekschuit.
7. Al ben ik nog maar een kind, dat nog weinig weel.
toch moet ik nog veel leeren.
8. Laat ons eten en drinken en vroolijk zijn, want
morgen sterven wij misschien.
9. De kabeljauw is een zeevisch, ook wordt hij ge-
droogd en heet daarom slokvisch.