Boekgegevens
Titel: Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dekker, Dirk
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, Van de Grampel & Bakker, 1877
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 239 : 3e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205148
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
105
Een mager testament. Een wellevend man.
Een geslepen advocaat. Een stemmig gezicht.
Een bijzonder genoegen. Een onomkoopbaar rechter.
Een versleten aardigheid. Een onopgesmukt verhaal.
Heeft 't werkwoord afbreken in de volgende zinnen
overal dezelfde beteekenis?
1. Hij breekt een stuk van de pgp af,
2. De oogenblikken, die ik van mijn werk kan afbre-
ken, besteed ik aan de beoefening der letterkunde,
3. Die jongen breekt onder 't lezen de woorden ge-
durig af,
4. Hoe moet men 't woord kachel afbreken?
5. Daar zgne hoorders 't gedurig uitschaterden van
lachen, moest mijn vriend Piet zgne vertelling elk
oogenblik afbreken.
6. Ik breek alle betrekking tusschen ons van nu aan af.
7. Het stoomfluitje waarschuwde mij, mijn gesprek
met uw broeder af te breken.
8. »Ik heb genoeg gehoord, 't is tgd hier af te breken."
9. »'t Gesnik der vrouwen breekt het zwggen af."
10. Dat buis wordt weldra afgebroken.
11. Als het huis volbouwd is, breekt men de steigers af.
Welke beteekenis heeft dit spreekwoord?
Z.ijn misdaad?
Was een deugd: hij had