Boekgegevens
Titel: Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dekker, Dirk
Uitgave: Amsterdam: Schalekamp, Van de Grampel & Bakker, 1877
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 239 : 3e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205148
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verstaat gij ook, wat gij leest?: vragen en oefeningen op het gebied der Nederlandsche taal, ten behoeve van de verstgevorderde leerlingen eener lagere school, en van kweekelingen en hulponderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Geef het meervoud op van onJerslaande woorden:
Rede, lende, ra, majoor, |Iullenanl, kok, bruidegom,
eega, merrie, maat, spit, oom, inleg, Noorman, En-
gelscliman, gelid, staatsman.
Maak de volgende woorden op tweeërlei wijxe meervou-
dig, en geef de beteekenis op der beide meervoudsvormen:
Water, vader, reden, raiddel, letter, knecht, heiden, he-
mel, been, blad, kleed.
Welk verschil in beteekenis beslaat er tnsschen de
Volgende w
beten
beren
delen
degen
gene -
helen
lenen
rede -
reden
weken
wezen
oorden ?
— beeten.
— beeren.
— deelen.
— deegen.
geene.
■ heelen.
- leenen.
reede.
- reeden.
- wee ken.
— weezen.
hoopen — hopen,
kooper — koper,
slooten — sloten,
kooien — kolen,
rooken — roken,
pooten — poten,
hooren — horen,
rooven — roven,
sloopen — slopen,
toonen — tonen,
loogen — logen.
Jan gaat morgen voor de eerste maal naar school.
Leg in bovenslaanden zin achtereenvolgens den nadruk