Boekgegevens
Titel: Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Serie: Leercursus ter beoefening der Engelsche taal, 2e ged
Auteur: Cowan, Frederick Martin; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Amsterdam: J.H. Gebhard & comp, 1877
7e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 6 : 7e dr. (dl. II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205090
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
That child cannot yet walk, dat kind kan nog niet loopen.
He can speak Énglish, hij kan Engelsch spreken.
She can play the piano, zij kan piano spelen.
He could speak English, when he was at school, hij kon En-
gelsch spreken, toen hij op school was.
2". One can go from Amsterdam to Antwerp in nine hours,
men kan in 9 uur van Amsterdam naar Antwerpen gaan.
We could do it if we would, wij konden het doen, zoo wij
wilden.
De ontbrekende tijden vormt men met to Ie dhle, in staat zijn.
I have heen dhle, ik heb kunnen.
I had leen dhle (/ could have), ik had kunnen, enz.
I have not heen dhle to sleep these last four nights, ik heb
in geen vier nachten kunnen slapen.
He will not he dhle to pay his debts, hij zal zijne schulden
niet kunnen betalen.
I should not be dhle to do it, if even I wished, ik zou 't
niet kunnen doen, al wenschte ik 't zelfs.
I shall, ik zal.
Pres.
I will, ik zal, wil.
Pres.
I shall,
thou slialt,
he shall,
we shall,
you shall,
they shall,
I should.
ik zal.
gij zult.
hij zal.
wij zullen,
gij zult.
zij zullen.
Impe'rf.
ik zou.
thou shouldst, gij zoudt.
he should, hij zou.
we should, wij zouden.
you should, gij zoudt.
they should, zij zouden.
I will,
thou wilt.,
he will,
we will,
you toill,
they will.
I would.
ik zal, wil.
gij zult, wilt.
hij zal, wil.
wij zullen, willen,
gij zult, wilt.
zij zullen, willen.
Impérf.
ik zou, wilde.
thou wouldst, gij zoudt, wildet.
he leould, hij zou, wilde.
we would, wij zouden, wilden.
you would, gij zoudt, wildet.
they would, zij zouden, wilden.
De ontbrekende tijden van will vormt men met to be will-
ing, genegen zijn.
I have, had been wüling, ik heb, had gewild.
I shall, should be willing, ik zal, zou willen.
He was willing enough to listen to my propósals, hij wilde
wel naar mijne voorstellen luisteren.
I should be willing to assist you if I was able, ik zou u
gaarne bijstaan, indien ik kon.