Boekgegevens
Titel: Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Serie: Leercursus ter beoefening der Engelsche taal, 2e ged
Auteur: Cowan, Frederick Martin; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Amsterdam: J.H. Gebhard & comp, 1877
7e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 6 : 7e dr. (dl. II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205090
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
derstelling of onzekerhtid kunnen uitdrukken, zijn if, though,
although, exccpt, unless, that, provided that, lest en wMther.
Bij 't gebruik van 't werkw. to have als bedrijvend werkw.
merke men op, dat het in de taal van den dagelijkschen
omgang veeltijds verbonden wordt met het verl, deelw. van
to get: He has got 'plenty of money, hij heeft overvloed van
geld. Will you have my knife? No, I have got one of my own,
wilt ge mijn mes hebben? Neen, ik heb er zelf een.
Vervoeging van 't hulpw. te Ie, zijn (worden).
Infinitive mood. Présent tense. Onbep. w. tegenw. t. to Ie, zijn,
(worden).
// n Fast tense n n verl. t. to have been,
geweest zijn (geworden zijn).
Frésent participle. Tegenw. deelw. being, zijnde (wordende).
Fast // Verl. deelw. been, geweest (geworden).
Indicative mood. Aant. w.
Frésent tense. Tegenw. t.
I am, ik ben (word).
thou art, gij zijt (wordt).
he is, hij is (wordt).
we are, wij zijn (worden).
you are, gij zijt (wordt).
they are, zij zijn (worden).
Perfect tense. Volm. verl. t.
I have been, ik ben geweest fge-
etc. worden), enz.
Impérfect tense. Onvolm. verl. t.
I was, ik was (werd).
thou wast, gij waart (werdt).
he was, hij was (werd).
we were, wij waren (werden).
you leere, gij waart (werdt).
they were, zij waren (werden).
Flupêrf.tense.M^et d.volm.verl.t.
I had been, ik was geweest
(geworden), enz.
First future. Eerste toek. t. Second future. Tweede toek. t.
1 shall or loïlX be, ik zal zijn (worden). I shall or will have been, ik
Thou wilt or shall be, gij zult zijn, zal geweest (geworden)
etc. enz. zijn, enz.
First conditional. Eerste Second conditional. Tweede
voorw. t. voorw. t.
1 should or would be ik zou zijn
(worden).
Thou wouldst or shouldst be, gij
zoudt zijn (worden), enz.
I should or would have been, etc.
ik zou geweest (geworden)
zijn, enz.
Impérative mood. Gebied, w.
Be, wees, weest (word, wordt).