Boekgegevens
Titel: Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Serie: Leercursus ter beoefening der Engelsche taal, 2e ged
Auteur: Cowan, Frederick Martin; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Amsterdam: J.H. Gebhard & comp, 1877
7e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 6 : 7e dr. (dl. II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205090
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
suffer the consequences, wij zijn onvoorzichtig geweest, en
lijden nu de gevolgen. *
First future. Eerste toek. tijd. /«^«re. Tweede toek. t.
I shall or will i ik zal >
Thou wilt or shalt ] gij zult ) , , „ .„ , , ,
He will or shall{ i hij zal | ^ ^^^^ '''f.
We shall or will 1 wij zullen / -g ., ,
rou will or shall] gij zult J ik zal gehad hebben,enz.
They will or shall • zij zullen J
De toek. tijd wordt in 't Engelseh gevormd door middel
der beide hulpwerkwoorden shall en tcill, welker grondbe-
teekenis moeten en willen is, en wordt het best onderscheiden
in een toek. tijd, die alléén iets toehomsligs aanduidt {foretelling
f uture), en een toek. tijd, die gebiedt, beveelt, belooft (imperative
future).
Voor den foretelling future, gebruikt men shall voor de
eerste personen, will voor de andere: I shall go, ik zal gaan;
he will go, hij zal gaan; we shall go, wij zullen gaan ; you
will go, gij zult gaan ; they loill go, zij zullen gaan.
Hier duidt de sprekende persoon alleen eene toek. gebeur-
tenis aan, zonder er bepaalden invloed op uit te oefenen.
In den impérative future heeft het tegendeel plaats: de
sprekende persoon duidt zijn wil, zijn bevel, zijne belofte aan,
door van zich zeiven sprekende tdll, van anderen sprekende shall
te gebruiken. Hier moet men dus will in de eerste, shall in de
tweede en derde personen gebruiken: 1 will go, ik zal (wil)
gaan; he shall go, hij zal (moet) gaan; we will go, wij zullen
(willen) gaan; you shall go, gij zult (moet) gaan; they shall
go, zij zullen (moeten) gaan.
AVanneer de tweede en derde persoon voorgesteld worden
als de onderwerpen hunner eigene gedachten of uitdrukkin-
gen, duidt shall eene toek. gebeurtenis aan als in den eersten
persoon, b. v. Be says .that he shall suceéed, hij zegt, dat hij
slagen zal; en will belooft als in den eersten persoon, b. v.
He says that he will study, hij zegt, dat hij studeeren zal.
Wilt moet in alle personen gebruikt worden, waar ons
willen te vertalen is: l will go there, ik wil er heen gaan.
He will not study, hij wil niet studeeren.
* Evenzoo zegt men: Éngland has founded a great empire in
the East, aangezien dit rijk, nog bestaat; maar men kan niet zeggen:
Crómmell kas founded a dynasty, omdat dit huis niet meer bestaat.