Boekgegevens
Titel: Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Serie: Leercursus ter beoefening der Engelsche taal, 2e ged
Auteur: Cowan, Frederick Martin; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Amsterdam: J.H. Gebhard & comp, 1877
7e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 6 : 7e dr. (dl. II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205090
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
zijn) voor de schoonheden van (de) natuur? Welke der Engel-
sche koningen bewees grootere diensten aan zijn land dan
Cromwell? Welken dank zijn wij niet verschuldigd aan onze
voorvaderen, die ons vrij maakten van vreemden dwang! Er
is geen onder onze stadhouders, wiens krijgsroem haalt bij
dien van Maurits (1567—1625). De theeboom, welks bladeren
in zoo groote hoeveelheden in Europa ingevoerd worden, is oor-
spronkelijk uit China en Japan. Wat stoort zich een dwaas aan
de meening van anderen! De roos, eene bloem, uit welker
bladeren een kostelijk reukwerk getrokken wordt, wordt in
groote hoeveelheden in Perzië aangekweekt. (De) kunst kan
nooit (de) natuur, wier werken volmaakt zijn, evenaren. De
bijnaam van den Hond werd gegeven aan een der Grieksche
wijsgeeren, maar ik herinner mij niet aan welken.
HET WERKWOORD.
het hulp-werkwoord.
De Engelsche taal heeft, evenals de Hollandsche, verschei-
dene hulpwerkwoorden, om tijd en wijs van een werkw. uit
te drukken. Deze zijn:
to he, zijn; to have, hebben; I shall, ik zal; I will, ik
zal, wil; 1 may, ik mag; I can, ik kan; I must, ik moet;
I ought, ik moet, behoor, moest, behoorde; to dare, durven;
to do, doen; to let, laten. Vele daarvan nebben eene onvol-
komen vervoeging.
Vervoeging van 't hulpwerkw. to have.
Infinitive mood. Trésent tense. Onbep, w. tegenw. t. to have, hebben.
// // Past // // // verl. // to have had,
gehad hebben.
Présent participle. Tegenw. deelw. having, hebbende.
In 't Engelsch wordt het tegenw. deelw. gebruikt na elk
voorzetsel, behalve to-.
By studying we increase our knowledge, door te studeeren
vermeerderen wij onze kunde.
In having all things, and not God, what have I? alle din-
gen bezittende, en God niet, wat heb ik?
Past participle. Verl. deelw. had, gehad.