Boekgegevens
Titel: Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Serie: Leercursus ter beoefening der Engelsche taal, 2e ged
Auteur: Cowan, Frederick Martin; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Amsterdam: J.H. Gebhard & comp, 1877
7e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 6 : 7e dr. (dl. II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205090
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
146.
Een (eene) van beide wordt vertaald door one of the two,
either-, welke, wie van beide door which of the two.
Each, alleen of met een zelfst. naamw. gebruikt, beteekent
ieder van twee of van een niet groot bepaald getal:
Each of them, elk van hen (beiden), l gave them a shilling
each, ik gaf hun elk een schelling. In each army, in elk der
beide legers.
Évery, dat nooit alleen staat en dikwijls van one gevolgd
wordt, beteekent ieder van een onbepaald getal:
Évery one (évery bódy, évery man) has his faults, ieder
heeft zijne gebreken. Évery day, elke dag. Évery third day,
évery fourth year, om den derden dag, alle vier jaren.
Éither, een van beide, néither, geen van beide, zien steeds
op slechts twee voorwerpen, en staan met of zonder zelfst.
naamw.:
Éither book will suit me, een van beide boeken ('t eene
of 't andere) is mij goed. Éither of us must go, een van
ons beiden (gij of ik) moet gaan. Neither plan is good, geen
van beide plannen deugt. Neither of them (^ the two) said
a word, geen van beiden zeide een woord. Éither William or
John. Willem of Jan. Néither you nor I, noch gij noch ik.
Voor few, a few, zie bl. 96.
Much heeft in 't meervoud many.
Much gold, veel goud, many péople, veel, vele menschen.
Ook zegt men: a great many, a good many, vele, A many,
evenals a deal, in plaats van a great deal, a good deal, is
plat. Zie bl. 95 en 100.
One, eigenlijk een telwoord, dient te gelijk als voornaamw.;
bijv. naamw. en zelfst. naamw.; heeft soms het bep. lidw. of
dny, each, évery en some voor zich, en neemt in den tweeden
naamv. 's, in 't meerv. s aan:
He is one that confounds good and évil, hij is iemand,
die goed met kwaad verwart. Whitlock talks of one Milton,
as he calls him. W. spreekt van een zekeren M., zooals
liij hem noemt. (The) one learns French, the óther Gérman,
de eene leert Fransch, de andere Duitsch. Any one may do
it, dat kan iedereen doen. Évery one can see through it,
dat kan iedereen begrijpen. Some one told me so, iemand
zeide 't mij. You must not be staring so in one's face, gij
moet iemand zoo niet aanstaren. The little ones, de klein-
tjes, de kinderen.