Boekgegevens
Titel: Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Serie: Leercursus ter beoefening der Engelsche taal, 2e ged
Auteur: Cowan, Frederick Martin; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Amsterdam: J.H. Gebhard & comp, 1877
7e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 6 : 7e dr. (dl. II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205090
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
145.
daarvoor, for that (vr. therefore); daarmede, rcith that (vr.
therewith).
DE ONBEPAALDE VOOBNAAMWOOKDEN (TELWOOBDEN).
Zij geven te kennen dat men spreekt van personen en
zaken zonder die te onderscheiden van andere van dezelfde
soort, — of van onbepaalde hoeveelheden.
a) Voor personen en zaken gebruikt men:
a few, eenige.
many, veel, vele.
one, één, ééne, iemand, men.
several, verscheidene.
no one, geen, geene.
both, beide.
a certain, een, eene zekere.
each, elk, ieder.
every, elk, ieder.
either, een, eene van beide.
neither, geen, geene van beide, nóbody, niemand.
fetc, weinig, weinige. somebody, iemand.
b) alleen voor zaken gebruikt men:
much, veel. iets (minder gebruikelijk).
little, weinig. nought, niets (id.)
sémething, iets. anything, iets,
nothing, niets. a great deal, zeer veel.
c) onbepaalde hoeveelheden duiden aan:
all, al, alle, alles. no, geen, geene.
Any, eenig, eenige, elk, ieder, none, geen een.
WOTe, eenig, eenige, een weinig, most, de, het meeste (zie bl. 91).
other, ander, andere. such, zulk (zie bl. 100).
enóugh, genoeg.
All wordt alleen of met een zelfst. naamw. gebruikt, en
is dikwijls gevolgd van het bep, lidw. of een voornaamw.:
JFhen alt comes to all, als 't er op aan komt.
Ml nature, de geheele natuur.
All cre'atures, alle schepselen.
All the day, de geheele dag.
All the elements, al de elementen.
All these things have their utility, al deze dingen hebben
hun nut.
Both staat of alleen of voor een zelfst. naamw.:
Both pretend, beiden beweren. Both (the) kingdoms, beide
rijken, de beide rijken. Both my children, mijne beide kin-
deren.
CowAN ks Maatjes, Leere, lie ged. 7de druk. 10