Boekgegevens
Titel: Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Serie: Leercursus ter beoefening der Engelsche taal, 2e ged
Auteur: Cowan, Frederick Martin; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Amsterdam: J.H. Gebhard & comp, 1877
7e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 6 : 7e dr. (dl. II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205090
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
143.
vangen door the former en the latter: Here are my two pü-
püs, John and William-, that (beter the former) is diligent,
this (beter the latter) is idle, hier zijn mijne beide leerlingen
Jan en Willem; de eerste (gene) is vlijtig, de laatste
(deze) is lui.
Evenals het lidw. (zie bl. 99—101), staan de aanw.
voornaamw. na half, both, all etc.: All these kings were
buried in the Escuridl, al deze koningen werden in 't Escu-
riaal begraven. 1 am acquainted with both these men, ik ben
met deze beide mannen bekend.
HET BETREKKELIJK VOORNAAMWOORD.
Opbl. 39 is gezegd, dat men who en tchich kan vervangen
door that, Intusschen zijn er twee gevallen, waarin zulks
geen plaats heeft: 1® na een eigennaam van een persoon,
na een voorzetsel: Napóleon who {m^i that) was agreat
géneral, N., die een groot veldheer was. The man ofwhom,
the thing of which (niet of that) 1 speaJc, de man van wien,
de zaak van welke ik spreek. Wil men zich in uitdruk-
kingen als deze laatste van that bedienen, dan wordt het
voorzetsel achteraan geplaatst: The man that {the thing that)
I speak of, of liever nog te gelijk het voornaamw. verzwe-
gen : The man {the thing) I speak of. Dezelfde omzetting en
uitlating heeft evenzeer (vooral in 't gemeenzame gesprek)
plaats bij 't gebruik van who en which, b. v.:
The man to whom I write, de man aan wien ik schrijf,
of the man whom I write to, of the man 1 write to. The létter
of which 1 told you, de brief, waarvan ik u sprak, of the
létter which I told you of, bf the létter I told you of Op
(*) De betrekk. voornaamw. worden nooit uitgelaten, wanneer
zij in den Isten naamval staan; 2® wanneer het daarmee verbonden
voorzetsel niet aan 't einde staat; 3° wanneer zij op een geheelen
zin betrekking hebben: He was ordered to retire, wich he jdid im-
médiately.
Bij dichters vindt men vaak zelfs den isten naamv. verzwegen:
Who were those went by?
Shakesp. Troil and Cress.
I. 2,
Many do keep their chambers are not sick.
Shakesp. Tim. of Ath.
III. 4.