Boekgegevens
Titel: Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Serie: Leercursus ter beoefening der Engelsche taal, 2e ged
Auteur: Cowan, Frederick Martin; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Amsterdam: J.H. Gebhard & comp, 1877
7e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 6 : 7e dr. (dl. II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205090
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Theoretisch-practische spraakkunst der Engelsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
136.
Toen het Arabische talstelsel in Europa werd ingevoerd,
■werd (er) een belangrijke dienst bewezen aan de wetenschap
der getallen. Wat tot dusver beschouwd was geworden als
bijna te afgetrokken en moeilijk voor den menschelijken
geest, werd vereenvoudigd en onder 't bereik gebracht zelfs
van een kind, door de éénheden, de tientallen, de honderd-
tallen, de duizendtallen, enz. elk hunne bepaalde plaats te
geven. Maria, koningin van Schotland, was nog geen twintig
jaar oud, toen zij als (rz eene) weduwe naar haar geboorteland
terugkeerde. De Alpen, die zich van de Middellandsche Zee bij
Nizza tot den Donau bij Weenen uitstrekken, zijn ongeveer
tweemaal zoo hoog als de Scandinavische bergen. De Wolga,
de grootste rivier in Europa, is driemaal zoo lang als de
Elbe en meer dan tienmaal zoo lang als de Theems. Onder
de verbeteringen der negentiende eeuw beslaan de schoone
wegen, die nu algemeen in Europa zijn, eene hooge plaats;
een wagen met vier paarden bespannen, had vroeger een
geheelen dag noodig om een afstand af te leggen, dien men
nu in een vierde van dien tijd met een enkel span kan
afleggen. Apollo, de God der poëzie, muziek en schoone
kunsten, wordt voorgesteld als bewonende den Parnassus, den
Helicon, enz. met het geheiligde negental.
HET VOORNAAMWOORD.
het persoonlijk voornaamwooru.
De eerste naamval der persoonl. voornaamwoorden, of
liever de eerste naamv. in 't algemeen, staat in 't Engelseh,
evenals in 't Hollandsch, voor het werkw., uitgez. bij eene
vraag: Ee was distmguished far hérohm, hij onderscheidde
zich door heldenmoed (*).
Wordt bij een samengestelden tijd if, indien, zoo, uitgelaten,
dan staat de eerste naamval, hetzij zelfst. naamw. of voor-
naamw., tusschen het hulpwerkw. en het werkw.: Had I
(*) Zóó luidt de regel, dien men in elke Spraakk. vindt; bij sommige
schrijvers ziet men dien echter niet altijd gevolgd. Slechts e'e'n
voorbeeld, in Motiey's „The Rise of the Dutch iJ^paA/ic"^ gekozen:
„7he agréement upon which was Jóunded the Perpétuai Édict," het-
welk men, slechts eenige blz. lezende, met een tal van andere
kan vermeerderen.