Boekgegevens
Titel: Nieuwe leerwijze der Engelsche taal
Deel: Tweede cursus
Auteur: Gerdes, E.
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen, 1856
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 580 : 1e dr. (dl. II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205055
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe leerwijze der Engelsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
178
50. Recommandation f aanbeveling, everywhere, overal, nowhere,
nergens, message, boodschap, to let, verhuren, rent, huur. to ex-
pect, verwachten.
51. Knaap, hoy. Bankier, Banker, medegaan, to go with, waar-
lijk, indeed, matroos, sailor, zaak, matter.
52. To embellish, verfraaijen. wide, wijd, groot, ƒ ai, plat. to put
out, uitsteken, pointed, spits, cotton, katoen, to wipe, afvegen.
53. Sling, band. to make, laten, to snap, kraken, punch, slag,
stoot, burden, last. to circulate, omloopen. to affect, aandoen.
short-sighted, kortzigtig.
54. Zwart, black, vuil, dirty, morsig, nasty, sterven, to die.
vloeijen, to flow, to run. aap, monkey, manen, mane.
55. To button, toeknoopen. felt, vilt. narrow, eng. hoh, gat.
to Jit, passen, to pull off, uittrekken, to fetch, halen, knot, strik,
knoop, to wear out, verslijten.
56. Just, net, juist, about, bij.
57. Mantel, cloak, koetsier, coach-man. goudsmid, goldsmith.
knop, head, pommel, onlangs,/ormerZy, lately, handschoenen, ^/orcs.
58. Ready, gereed, nutritive, voedzaam, couple, paar. magnificent,
prachtig.
59. To lay the cloth, de tafel dekken, to rinse, spoelen, to serve
up, opdisschen. juicy, sappig. I ivould thank your for, Ik zoude
gaarne hebben, slice, snede, to be fond of, veel houden van. to
carve, snijden, voorsnijden.
60. Verkouden zijn, having catched a cold, sterk, strong, grond,
ground, onthalen , to regale , to feast.
61. To furnish, meubileren, painted, geschilderd, parfowr, huis-
kamer. to consist, bestaan, top, blad. marble, marmer. grootte.
frame, lijst, to provide, voorzien, to call on, aankomen, list, lijst.
61.* Grootmoeder, grandmother, toebehooren, to belong, kleed,
gown, goedkoop, a cheap price, krijt, chalk.
62. yowf/i, jongeling, consequently ,'b\] gevolg, to marry, trouwen.
related, vermaagschapt, four years ago, vier jaar geleden.
63. To brew, brouwen, kettle, ketel, utensils, gereedschap, candle,
kaars, scizzors, schaar, razor, scheermes, stairs, trap, thread,
garen, needle, naald, pin, speld, tape, smal band, lint, to grind,
malcn. corn, koren, fur, bont, pelswerk, to repair, herstellen.
cask, vat.
64. Weduwe, widow, verleden, past, last,
65. Lodger, huurder^ bewoner, to inhabit, bewoner, lower-part,