Boekgegevens
Titel: Nieuwe leerwijze der Engelsche taal
Deel: Tweede cursus
Auteur: Gerdes, E.
Uitgave: Amsterdam: P.N. van Kampen, 1856
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 580 : 1e dr. (dl. II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205055
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuwe leerwijze der Engelsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
175
9. Landkaart, viap, belooning, reward, verdienen, to deserve.
daarover, of it. verblijd, glad. kleed, gown, geduld, patience.
10. Sojt, slap. to split f splijten, weak, zwak. to distinguish,
onderscheiden, pair of spectacles, bril. careless, zorgeloos, cheap,
goedkoop, desk, lessenaar, german, duitsch. to beg, vragen, ver-
zoeken. saving, spaarzaam.
11. Lam, lamb, wat u deert, what is the matter with you. lag-
chen, to laugh, weenen, to cry. aanmoedigen, to encourage, vrolijk,
merry, treurig, sad. kwartier, quarter of an hour, gadeslaan, to
observe, aanzien, to look at. gehoorzaam, obedient, ongehoorzaam,
disobedient, grof, coarse, noodig hebben, to want, leelijk, ugly.
prent, image,
12. Teacher, onderwijzer, officer, officier, milliner, modemaakster.
io ask for, vragen naar. walking-stick, wandelstok, to prescribe,
voorschrijven, to offend, beleedigen.
13. Gaan, to go. advokaat, advocate, lawyer, kleêrmaker, tailor,
plukken, to pluck, zaagt, saw. ontbreken, to want» potlood, lead-
pencil,
14. Intention, voornemen, plan, to travel, reizen, engraving,
plaat.
15. Teekenen, to draw, teekening, (/rawzn^r. teekenmeester,
master, geldstuk, piece of money, vernemen, to hear, stad, town.
komen, to pass, gevecht, battle, gewond, wounded, groeten, to
salute, beschuldigen, to accuse.
16. Ease, gemak, to converse, zich onderhouden, spreken, probity,
regtschapenheid, to be about, plan hebben. bridge, brug. to enter,
binnentreden, to complain, klagen, of, over, frequently, dikwijls.
leaf, blad. torn, gescheurd.
17. Redden, to save, in de verte, yonder , from afar, bewonen,
to inhabit, beurs, purse, toevertrouwen, to confide, weg, off. dap-
perheid , valour, zoo zeer, highly, roemen, to commend, schoonzoon,
son-in-law. wijnverkooper, wine-merchant, lint, ribbon, bevallen, to
please, doorbrengen, to pass, boom, tree, afvallen, to fall off,
familie, family, verpligt zijn, to have obligation, dingen, things.
waarde, value, punt, point, afbreken, to break off.
18. To happen, gebeuren, left, verlaten, return, terugkomst.
truth, waarheid, to educate, opvoeden.
19. Willen, to please, to like, verlaten, to leave, zorgen, to take
care of. honen, to insult, verborgen, hid, woor, from,
20. To call for, komen om af te halen, use, gebruik, to interest.