Boekgegevens
Titel: Verzameling van stukken betreffende de regeling van het lager schoolwezen, sedert den jare 1801
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1841
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 K 70
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205038
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: 1800-1850, Lager onderwijs, Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verzameling van stukken betreffende de regeling van het lager schoolwezen, sedert den jare 1801
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 44 )
Art. 26. Niettegenstaande de bepalingen, om-
trent het opschorsen en intrekken der Acte van
Algemeene Toelating, bij Art. 18 en 19 der Wet
gemaakt, behouden zoodanige bijzondere Personen
en Collegiën, als tot de Bijzondere Scholen der
eerste Klasse, (Art. 13, N®. 1) de naaste betrek-
king hebben , de faculteit om derzelver Onderwij-
zers respectivelijk het regt en genot hunner Speciale
Beroeping of Aanstelling voor zoo langen of korten
tijd of ook geheel te ontnemen, als zij billijkerwijze
voor het belang hunner School zouden mogen noo-
dig oordeélen , gevende daar van , benevens van de
hiertoe moverende redenen, dadelijk kennis aan
den Schoolopziener van het District of de Plaatse-
lijke Schoolcommissie , ten einde , voor zoo verre
noodig geoordeeld wordt, van een en ander open-
lijk berigt te geven ter plaatse, waar znlks behoort.
Art. 27. Ten aanzien van alle overige Onder-
wijzers , namelijk de Openbare Schoolonderwijzers,
de Bijzonderè Schoolonderwijzers der tweede Klasse,
de Schoolhoüderessen en de Huisonderwijzers , zal
geene opschorsing of intrekking der Speciale Be-
roeping , Aanstelling of Admissie kunnen plaats
hebben, afgescheiden van de opschorsing en intrek-
king hunner Acte van Algemeene Toelating, over-
eenkomstig Art. 18 en 19 der Wet, en zal hiervan
al mede de openlijke bekendmaking geschieden ter
plaatse, waar zulks behoort.
Art. 28. Op alle Bijzondere Scholen der eerste
Klasse (Art. 3, N®. 1) zullen alleen mogen wor-
den opgenomen en onderwezen zoodanige Kindei-en,
die zelve of wier Ouders tot de Diakonie, het
Godshuis, de Maatschappij of het Gesticht, waar-
aan die Scholen respectivelijk verbonden zijn, of
onder derzelver Oprigters of Inteekenaars behooren.
Art. 29. Op zoodanige Openbare Scholen, welke
alleen voor de Kinderen van Behoeftigen zijn op-