Boekgegevens
Titel: Verzameling van stukken betreffende de regeling van het lager schoolwezen, sedert den jare 1801
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1841
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 672 K 70
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205038
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: 1800-1850, Lager onderwijs, Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Verzameling van stukken betreffende de regeling van het lager schoolwezen, sedert den jare 1801
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 88 ■)
zijn verleend, in de onderwerpen van het raiddel-
baar of hooger onderwijs, aan anderen onderrigt
te geven ; vreemdelingen hebben daartoe Onze spe-
ciale vergunning noodig.
Art. 9. Een ieder, die de noodige kundigheden
zal hebben opgedaan, zonder onderscheid , waar of
hoe hij die verkregen zal hebben, zal toegelaten
worden tot het afleggen der examens en het ver-
krijgen der getuigschriften of graden, welke tot het
waarnemen van sommige ambten of beroepen ver-
eischt worden.
Onze Minister van binnenlandsche zaken zal Ons,
zoodra mogelijk, de noodige voordragt aanbieden ,
tot het bepalen der wijze, waarop de hierboven
bedoelde examens zullen worden afgenomen.
Art. 10, Alle instellingen van onderwijs, zon-
der uitzondering, zullen aan het toezigt der open-
bare autoriteiten onderworpen, en dienvolgens
steeds toegankelijk moeten zijn voor de personen ,
die, van wege het plaatselijk, provinciaal of alge-
meen bestuur , bevoegd zijn , om den staat derzel-
ven op te nemen.
De onderwijzers > en allen, die in dezelve instel-
lingen eenig toezigt of beheer hebben, zijn gehou-
den , om aan de bovengemelde personen alle inlich-
tingen te geven, zoo mondeling als schriftelijk,
welke dezelven vorderen.
Art. 11. Tot het geven van onderwijs zijn on-
bevoegd alle, tegen welke een vonnis, hebbende
kracht van gewijsde, is uitgesproken, houdende
veroordeeling tot eene lijf- of onteerende straf, of
tot eene correctionele straf, wegens eene daad,
strijdig met de zeden, of waardoor de algemeene
achting en het vertrouwen verloren gaan.
In geval van twijfel of geschil over de toepassing
van dat beginsel, zal deswege door Gedeputeerde
Staten worden beslist.