Boekgegevens
Titel: Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Deel: I
Auteur: Hout, J. van der; Brouwer, W.
Uitgave: Schiedam: J. Odé, 1890
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1733 : 4e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204991
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen in het zuiver schrijven der Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
kna(p)pen spelen met knikkers. Op de
vischmarkt zijn niets dan sclio(l)len. Te
twaalf uren gaan de sclio(l)len uit. Bij die
rozen staan sto(k)ken. Wij sto(k)ken de
kachel al. 's Avonds spe(l)len wij op het
ganzenbord. Kunt gij dat woord al spe(l)len?
re(n)nen noemt men ook wel wortelen.
Wy schrijven met pe(n)nen van staal. De
jongens gaan a(l)len naar de school. De
visscher vangt a(l)len. In den tuin loopen
wij op de pa(d)den. ra(d)den lijken veel op
kikvorschen.
9?.
^ilijne buurvrouw heeft de po(,k)ken. Gij
moet niet zoo in de kachel po(k)ken. Hoe
laat moet de buurman u we(k)ken? Ik ben
al drie we(k)ken ongesteld geweest. Waar
wo(n)nen uwe nichtjes? Wij wo(n)nen giste-
ren acht knikkers van Piet. De toren-
wachter blaast op den ho(r)ren. Voor het
raam staan ho(r)ren. Mag ik wat stelk'jken
van die mooie rozen? Gij moet dat in uwen
zak ste(k)ken. Op het ijs zie ik wel eens
au')ren. De a(r)ren zijn vol korrels.
98.
Havi(k)ken zijn roofvogels. In dit kloos-