Boekgegevens
Titel: Derde verzameling van rekenkundige voorstellen voor de hoogste klasse der lagere scholen
Auteur: Boeser, A.L.
Uitgave: Amsterdam: A. Hoogenboom, 1868
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 57 : 4e dr. (3e verz.)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204952
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Derde verzameling van rekenkundige voorstellen voor de hoogste klasse der lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
9. Drie personen hebben te zamen op een gastmaal 23 gL
verteerd. B. betaalt 5 gU meer dan A., en C. zooveel alsl
A. en B. zamen. Hoeveel heeft ieder betaald?
10. Iemand had twee kapitalen op interest staan, het eene
tegen 6 en 't andere tegen waarvan hij jaarlijks 270 gl
interest trekt. Naderhand vond hij gelegenheid beide kapita-.
len uit te zetten tegen 5 dat hem jaarlijks ƒ 30 voordeel
gaf. Hoe groot was ieder kapitaal?
11. Voor l'Vi—Vs gulden, kan men IV3X ^^^^^^^
koopen. A. en B. koopen van die soort voor gulden;
A. komt daarvan 't % + V^ gedeelte toe. Hoeveel 'ffi
ontvangt B.?
12. Een goudsmid heeft twee soorten van goud; de eeue
van 20, de andere van 16 karaat. Yan deze twee soorten wil
hij eene hoeveelheid van 80 lood zamensmelten: en wel zoo
dat hij goud van 187^ karaat bekomt. Hoeveel moet hij
daartoe van iedere soort nemen?
13. De vaste inkomsten van zekere betrekking stonden tot
de veranderlijke inkomsten in zeker jaar ïils 19 : 5 en 't ver-
schil was gelijk aan den vierkantswortel uit 78400. Hoeveel
bedroeg 't vaste en 't veranderlijke inkomen afzonderlijk?
14. Iemand wil eene plaats, die den vorm heeft van een
scheefhoekig gelijkbeenig trapezium, laten beleggen met
tegels, groot 16 Eijnlandsche duim in 't vierkant. Als de
plaats aan 't eene einde 26^/3 voet en aan 't andere 20
voet breed is, terwijl de lengte 32 voet is, vraagt men,
hoeveel tegels er noodig zouden zijn, als er door 't af-
hakken niets verloren ging.
15. Van zekere som guldens ontvangt A. Yg gedeelte
en 25 gl., B. 't deel + 40 gl. en C. 80 gl. minder
dan A. cn B. zamen, waarna de som op 60 gl. na ver-
deeld is. Hoe groot is de som?
16. A., B. en C. handelen in compagnie. A. en B.
leggen zamen ƒ 6000 in en C. legt 1200 gl, meer in dan
B.; van de winst welke in 't geheel ƒ 784 bedraagt, ont-
vangt A. / 192. Hoeveel heeft ieder ingelegd?