Boekgegevens
Titel: Derde verzameling van rekenkundige voorstellen voor de hoogste klasse der lagere scholen
Auteur: Boeser, A.L.
Uitgave: Amsterdam: A. Hoogenboom, 1868
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 57 : 4e dr. (3e verz.)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204952
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Derde verzameling van rekenkundige voorstellen voor de hoogste klasse der lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
li. ƒ800 en C. ƒ 1000 iu. A. ontvangt ƒ4 minder dan
^/g deel van de winst, B. 4Y2 gulden meer dan V4
deel. Als men nu nog weet, dat A. zijn geld 2 maanden
korter heeft in den handel gehad dan B., vraagt men naar
den tijd, dien ieder aan den handel heeft deelgenomen.
165. Iemand ontvangt op interest ƒ4000 eu 400 gouden
Willems, tegen 4 ^o rente's jaars. Na anderhalfjaar be-
taalt hij voor kapitaal en interest terug 7984 guldens en
40 gouden Willems. Bereken ^hieruit, tegen hoeveel de
gouden Willem berekend is.
166. A. en B. ruilen, A. heeft tarwe van ƒ 9 de mud
en zet die op ƒ10, doch begeert in geld; B. heeft
rogge van 6 gl. de mud. A. levert 5 last tarwe; nu vraagt
men, hoeveel mud rogge B. zal moeten leveren, als hunne
ruiling gelijk is?
167. Iemand moet betalen ƒ4000 in 8 jaren, ieder jaar
't achtste gedeelte van 't kap. met den verschenen interest,
fi 4^/2 ^/o's jaars. Indien débiteur en crediteur nu overeen-
komen , dat ieder jaar evenveel betaald zal worden, vraagt
men, hoeveel de crediteur ieder jaar ontvangen zal?
168. Drie personen nemen een werk aan voor ƒ 1850.
A. en B. zamen zouden't kunnen afmaken in ll^/^week,
B. en C, zamen in week en A. en B. zamen in
12 weken. Bereken eens, hoeveel ieder van de aanne-
miugsom toekomt.
169. Iemand heeft waren van ƒ25 de 100 die hij
in ruiling stelt op ƒ30, doch wil in geld hebben. Een
ander koopmait heeft linnen van ƒ1,20; hoe hoog moet
hij dat stellen op 9 maanden dag, als hij boven gelijke rui-
ling 4 'sjaars wil winnen?
170. Bereken de grootte in kubieke duimen van een
stuk koperen gewicht, ter zwaarte van 2 Ned.'S, wetende,
dat het koper 8-/3 maal zoo zwaar is als water; alsmede
de zwaarte van eene gelijke hoeveelheid goud, tot soortelijk
gewicht van dit metaal I9V4 stellende?