Boekgegevens
Titel: Derde verzameling van rekenkundige voorstellen voor de hoogste klasse der lagere scholen
Auteur: Boeser, A.L.
Uitgave: Amsterdam: A. Hoogenboom, 1868
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 57 : 4e dr. (3e verz.)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204952
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Derde verzameling van rekenkundige voorstellen voor de hoogste klasse der lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
u
16
zooveel betalen als A. alleen. Hoeveel moet ieder tot de
uitrubting betalen als er in 't geheel ƒ7680 voor ieder noodig is r
A., B. C. en D. hebben geld in den handel ge-
legd, en wel A. zoo menigmaal 10, als B. 5 en C. 3 gulden.
Na eenigen tijd bevinden zij ƒ 400 gewonnen te hebben ,
van welke winst D. ƒ40 toekomt. Men vraagt naar den
inleg van D., als gij nog weet dat A. ƒ 560 meer inge-
legd heeft dan C.? ^
9 5. Indien de kracht van A. tot die van B. staat als
-/g tot en de kracht van B. tot die van C'. als
tot Vg: hoeveel « kan C. dan verplaatsen, als A. 400
in beweging kan brengen?
96. Als 't op een horloge 12 unr is, staan uur en
minuutwijzer juist boven elkander. Hoe laat zal't zijn, als
zij na dien tijd voor den tweeden keer elkander dekken ?
97. A. vraagt aan B. hoeveel geld hij bij zich heeft.
A. zegt: als ik 't getal mijner guldens verdriedubbel en u
dan ƒ15 geef en dat zelfde nog tweemaal doe, houd ik
ƒ345 over. Dan wil ik niet met u ruilen, zegt B., hoe-
wel ik maar ƒ100 overhoud als ik 't getal mijner guldens
driemaal verdubbel en u dan na elke verdubbeling 20 gul-
den geef. Hoeveel heeft ieder ?
98. Drie ploegen arbeiders, bestaande uit 20 , 25 en 30
man, en wier krachten respectievelijk uitgedrukt worden
door de getallen 5, 4 en kunnen gezamenlijk een
werk afmaken in 9 weken. In hoeveel weken zullen dan
40 arbeiders 't kunnen doen, wier krachten uitgedrukt
worden door
99. Iemand is een zeker aantal rijksdaalders schuldig. Hij
betaalt hierop tweemaal zooveel guldens als hij rijksd. schuldig
is. Met hetgeen hij nu schuldig blijft, doet hij evenzoo en
later nog eens ten derdenmale, waarna hij bevindt nog ƒ 5,50
schuldig te wezen. Hoe groot was de geheele schuld?