Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
87.
een volk toeneemt in verlichting, eerbied voor zich zelf, volharding
en gevoel van regt. Ligchamelijke of stoffelijke krachten kunnen
gemeten worden, maar niet de krachten der ziel; alzoo kan men
de gevolgen van vermeerderde verstandelijke krachten niet voor-
zien. Een maatschappij, uit die krachten zamengesteld, zal hin-
derpalen omverwerpen, die nu onoverwinnelijk schijnen en ze in
hulpmiddelen veranderen. Het inwendige geeft het uitwendige
zijn vorm.
160.
Alle aardrijkskundig onderwijs moet met de woonplaats, of liever
't woonvertrek beginnen, en daardoor de gewigtigste plaatsbegrippen
tot aanschouwing brengen. Eerst moet het kind zich in den allcr-
naasten omtrek oriënteren. Hier moet den leerling de wederkeerige
werking tussehen aarde en menschen het allereerst duidelijk worden;
daarna moet zijn beschouwing zich uitstrekken tot de provincie en
het vaderland.
Opmerkelijk, om niet te zeggen onbegrijpelijk, is het, dat veel
onderwijzers nog altijd de landkaart als iets aanziên, dat zich van
zelf verstaat en opheldert. Ze hangen haar in die meening voor de
kinderen op en doceren er frisch op los: Hier in 't noorden ligt
dat, daar in 't zuiden dat, — maar bedenken in 't geheel niet,
welke reusachtige abstraktie zij plotseling van den kinderlijken geest
vergen. Slechts door kennis van de woonplaats en een kaart, die
de kinderen daarvan, onder aanwijzing van den onderwijzer hebben
ontworpen, komen zij van lieverlede tot het juiste begrip van een
landkaart.
161.
Aangaande 't onderwijs in de aardrijkskunde verdienen ook de
volgende woorden van Rousseau behartiging:
„Wat beduidt het teeken zonder 't regte begrip van de zaak? En
toch kwelt men 't arme kind nog zoo dikwijls met teekens, eer men
zijn best doet, de zaken te verklaren. De knaap zal de aarde leeren
kennen, en hij krijgt alleen kennis van de kaarten: men leert hem
de namen van steden, landen en rivieren, die voor hem alleen op
het papier bestaan, waarop men ze aanwijst. Een stad is een stip,
een land een roode of blaauwe kring, een rivier een dunne of dikke