Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
4.
In plaats van oude twisten over de schoolstraffen op te warmen,
vraag ik ieder onderwijzer, of hij niet die school voor de beste houdt,
waarin slechts zelden behoeft gestraft te worden. -Ik vraag verder,
of hij op die dagen, waarop hij veelvuldig gebruik heeft gemaakt van
straf, zijne school met ware vreugde des harten sluiten kan, en of
't hem van binnen niet veel rustiger is, als hij kan zeggen: 'k Heb
heden geen enkel kind gestraft! Ook in dit opzigt doet het geloof
wonderen. Gelooft de onderwijzer vast, dat het mogelijk is, zonder
veel straf te onderwijzen en op te voeden, dan zal de uitkomst dat
geloof bevestigen; gelooft hij list niet, dan zal hij steeds meer
in de noodzakelijkheid komen van te straffen. Waarom zou de eene
onderwijzer meer straffen dan de andere? — Omdat hij andere
kinderen onderwijst? — Zijn de kinderen inderdaad anders, dan
vraag ik verder, of men ze zelf niet anders heeft opgevoed? —
Waar meer onderwijzers in dezelfde plaats werken, daar ziet
men dikwerf, dat de een voortdurend met straffen bezig is,
terwijl de ander alleen met zijne oogen de orde bewaart. Ligt
de oorzaak daarvan nö in de kinderen of in den onderwijzer? —
Als 't laatste waar is, wat volgt er dan uit?
Verbeter u zeiven, dan verbetert gij ook de kinderen!
Straf, als het volstrekt meet, — niet eerder; laat uwe straf na-
(uurlijk, d. i. overeenkomstig den aard van het misdrijf zijn, en laat
uw leerling zien, dat gij met innigen weerzin straft.
5.
't Mensehelijk hart is als het klimop, dat naar steun zoekt, om
in de hoogte te ranken cn vrolijker te groeijeu. Kan 't klimop
geen steunsel vinden, dan kruipt het over den grond en verrot daar;
krijgt het echter de naar boven voerende hulp, dan klimt het lustig
op, en hoe hooger het stijgt, des te krachtiger en frisseher worden
zijne bladeren. Ook de mensch, en in 't bijzonder het kind, behoeft
een steun, en dezen verwacht het instinktmatig van ieder volwassene,
voornamelijk echter van ouders en leeraars. Gelijk 't eiloof, wanneer
het geen statigen eik vindt, ook langs nietige struiken en bemoste
steenen oprankt en hun lot deelt, zoo klemt zich ook het naar liefde
dorstend en hulpbehoevend kind zelfs aan zwakke of booze menschen,
om maar een steunpunt te hebben. „Hebt gij mij lief?" vroeg Mozart