Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
83.
Lcenireu aan kweek- eu uoriiiaal^ciiolt ii moeten in dat opzigt bij-
zonder op hun hoede zijn. Hun en hun kweekelingen gelden de
woorden:
Jf-lc er sic/i räuspert, wie er spuckt.
Das haben sie Um glücHich abgeguckt!
De jongelui zijn zeer geneigd, in vollen ernst te gelooven, dat
ze met de nabootsing van dat „keelschrapen en uitspuwen" den ge-
heelen mensch kopiëren,
153.
Niemand is ligter aan 't gevaar blootgesteld, een karrikatuur
te worden, dan de onderwijzer. Slechts weinig onderwijzers hebben
gelegenheid, zich in kringen te bewegen, die op uiterlijke beschaving
gunstig werken; H zonderlinge, dat in den omgang met de wereld
min of meer wordt afgeslepen, blijft bij hen onveranderd. Daarbij
komt, dat hun dagclijksch doen wel voor kritische, maar toch on-
mondige opmerkers geschiedt; ook denken de meesten, dat men zich
voor kinderen geen dwang behoeft aan te doen. Voegt men
daarbij nog, dat velen door de opmerkzaamheid, die zij aan 't ouder-
wijs en de woelige jeugd moeten schenken, al ligt vergeten aan
hun eigen houding de noodige opmerkzaamheid te geven, dan heeft
men den sleutel tot zoo menige kuriositeit en dwaasheid, die den
anekdotenjagers maar al te welkom zijn, "Wacht u voor den vloek
van 't bclagchelijke!
154.
Vaders en moeders! Leert toch bovenal uw kinderen kennen; be-
driegt u niet in uw meening over hun bekwaamheden en deugden!
Ieder mensch heeft zijn eigen, bijzonder wezen, zijn door God hem
toegedeelde mate van ligchaams- en zielekrachten. Zoo als zich uit
de kiem van een ooftboom slechts een ooftboom ontwikkelen kan
en geen wijnstok, zoo kan ook ieder slechts werken naar het talent,
dat hem geschonken is, en zich verheffen tot "datgene, waartoe hem
aanleg is gegeven. Niet allen kunnen alles.
Niemand moet dat meer bedenken, dan de ouders. Geheel zóó als
God ons de kleinen gaf, moeten wij hen nemen eu beminnen. Maar
wij weten immers, dat niets ligter verblindt dan ouderliefde. Zij