Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
mmmmmm
82.
voor de school in te boezemen. Niemand geloove, dat hij voor zóó
of zóóveel geld genoeg, of wel te veel doet. Wie meent, met
zijn laag inkomen laauwheid of traagheid te mogen verontschuldigen ,
dien kan men met regt toevoegen, dat de ouders voor slecht onder-
wijs en slechte opvoeding met weinig geld nog altoos te veel betalen.
151.
De kunst van opvoeden heeft dit met de geneeskunst gemeen: dat
ieder haar meent te verstaan. Gelijk Jan en alleman voor elke ziekte
een onfeilbaar geneesmiddel kent, zoo meent ook ieder moeder de
doelmatigste leerwijze te kennen, zoo matigt ook elke grootmama
zich aan, den onderwijzer te beoordeelen of te berispen.
Dat strekt beiden wetenschappen echter niet tot oneer; want al-
leen in zaken van zeer algemeen belang steekt ieder graag den neus.
152.
In opvoeding of ouderwijs houd ik niet ligt iets voor gering
of onbeduidend, cn 't zou, dunkt mij, niet kwaad zijn, als on-
derwijzers en schoolopzieners niet te veel dachten: op kleinigheden
komt het zoo zeer niet aan. Gelijk men uit de klaauwen tot den
leeuw besluit, zoo mag men ook met regt uit deze en gene linksheid
of zotheid tot de geheele beschaving eens onderwijzers besluiten. Wij
behooren tegen dwaze manieren reeds daarom te velde te trekken,
wijl we weten, dat verkeerdheden altoos veel trouwer navolgers vin-
den dan goede gewoonten. In ieder geval maken ze een ongunsti-
gen indruk en doen daarom hem, wien ze aankleven, schade.
Men zie slechts in de scholen rond, om zieh te overtuigen, dat
menig onderwijzer nog wel een „school voor welgemanierdheid"
mögt doorloopeii. In plaats van streng op zieh zei ven te letten,
geven velen zich aan een onverantwoordelijke „ongeneerdheid" over.
De een loopt voortdurend heen en weêr, als bejammerde hij met
keizer Augustus het verlies van legioenen; de ander doceert met
beide handen in de broekzakken; een derde schermt altoos met de
handen in de lucht; een vierde spreekt en dreigt onophoudelijk met
opgeheven wijsvinger; een vijfde buigt zich naar ieder leerling, dien
hij iets vraagt, als wou hij hem 't antwoord in 't oor fluisteren, en
een zesde eindelijk doceert, terwijl hij den voet op een bank zet cn
ieder woord met balanceeroefeningen begeleidt.