Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
85.
hoe? of de wijze waarop. De onderwijzer heeft daarom voor ieder
lesuur zich de vraag te doen, of de zaak, waarvan hij den kinde-
ren een duidelijk begrip wil geven, hem zelven volkomen van alle
kanten helder is, en verder, of zij aan het doel der school, aan
de vorming voor 't leven beantwoordt. Niemand kan geven, wat hij
zelf niet bezit. Velen echter gelooven reeds te bezitten, wat zij
slechts oppervlakkig in hun handleidingen gezien hebben; zij
verlaten zich daarop, zonder te bedenken, dat alle gaan met een
kruk toch altijd maar hinken blijft en nooit den indruk kan maken
van een vrijen, zelfstandigen tred.
Van nog grooter gewigt is de voorbereiding met betrekking tot
het hoe of de methode. Hierbij mag men zich zeker de volgende
vragen voorleggen:
1. In welke betrekking staat, hetgeen ik heden wil onderwijzen ,
tot datgene, wat voorafgegaan is en tot datgene, wat volgen moet?
Vult het een het ander aan, maakt het een het ander vaster, en is
het verband tussehen het heden en het gisteren niet alleen mij, maar
ook mijn leerlingen helder?
2. Door welke woorden, wendingen, voorbselden en aanschou-
wings-middelen kan de inhoud mijner les allen, ook den zwaksten
leerlingen, duidelijk worden gemaakt?
3. Welke oefeniugen*kan ik ter bevestiging van 't geleerde en
tot versterking van de krachten der kinderen aan deze les verbinden ?
147.
Over geen leervak der lagere school is gedurende de laatste vijf
jaren zooveel geschreven en gewreven als over de vormleer. Velen
keken vlugtig een of ander boekje over de vormleer in, gingen
toen fluks op een paar hooge stelten staan en filosofecrrlen er dapper
op los, over „wat vormleer eigenlijk was of niet was." Het resul-
taat der bespiegelingen kwam gewoonlijk hierop neêr: „dat men ein-
delijk wel eens weten wou, wat vormleer dan toch wel beteekende."
En dat was, met verlof, in de meeste gevallen erg gejokt; men wou
het juist niet graag weten, anders had men 't al lang kunnen weten.
Wie niet geheel vreemdeling in de geschiedenis van 't onderwijs
is, weet, wat Pestalozzi bedoelde, toen hij tot grondslag van alle
goed, op aanschouwing gebaseerd onderwijs vorm, getal en spraak
legde. Hoe men, op het juiste in zijn zienswijze voortbouwende, in
onzen tijd de vormleer er bijzonder aan heeft dienstbaar gemaakt, om op