Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
ook, wat een ordelievende geest vermag en wat beroepsliefde kan
doen, die niets te min acht en in 't kleine het groote, in 't ge-
ringste deel het geheel ziet. Ik heb gezien, wat een onderwijzer
ook van een donkere, sombere school kan maken, wanneer 't hem
dnidelijk is, dat hij tol vorming der jeugd is geroepen en dat die
vorming met lezen en schrijven niet is voltooid. Onze volks- en
plattelandsscholen zijn vaak genoeg armscholen, en de kinderen
treden daarom niet zelden uit de hutten der ellende en des bitteren
noods, uit den poel van gemeenheid en dierlijke verstomping in onze
leerscholen. Zullen ze hier niets beters, niets troostrijkers vinden,
dan in huis? De zoon des bedelaars mag niet binnen de woning des
rijken en voornamen treden, hij ontvangt aan de deur zijn aalmoes;
doch de deuren der school zijn wijd voor hem geopend, en zou hij
zich hier niet eenige uren in heldere zindelijkheid, frissche lucht en
vriendelijke orde verheugen?
3.
Niets is onpaedagogischer, dan onze pas binnentredende kleinen
dadelijk met de doode, vreemde en koude letters te kwellen. In
plaats van de kinderen den overgang uit het ouderlijke huis in de
school ligt te maken, in plaats van ze langzaam en aangenaam tot
opmerkzaamlieid te leiden, komt men ze met de letters te gemoet,
die voor hen slechts doode dingen zijn, die geheel buiten hun vroe-
geren aanschouwingskring liggen. Is er dan niets anders, waarmee
de onderwijzer aanvangen kan, dan met dat A B C? Ik zou 't voor
voel natuurlijker houden, als hij den schüchteren kleine moed tot
spreken inboezemde, door vriendelijk met hem over de nieuwe hem
omringende voorwerpen, over de school te praten en hem alles, wat
hij daar zag, te leeren noemen. In 't kort: ik zou hem vóór alles
met bewustheid zijne oogen, zijne ooren en zijne vingers leeren gebrui-
ken. En als de onverbiddelijke letters eindelijk komen moeten, zou
ik hem die zoo smakelijk mogelijk maken, — niet voor de tong, zoo-
als Basedow wilde, maar voor de kinderziel, door aan den vorm der
gewantrouwde en gevreesde vreemdelingen dien van prettige beken-
den uit de kinderwereld te verbinden.
Maar — zulke zoogenaamde nieuwigheden eisehen een flinken onder-
wijzer met een kinderlijken zin en een open hart. De oude sleur
haat alles, wat gemakzucht en pedanterie uit haar (ramp-) zaligen,
dommel wakker schudt.