Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
70
Daar treedt deze hem te gemoet, koud, aehterhoiideud, wantrouwend;
de toegestoken regterhand, zoo van ganseher harte aangeboden, wordt
naauwelijks aangezien, het vriendelijke, hartelijke woord vindt geen
weerklank: en vervlogen zijn de idealen des j ongen onderwijzers, ver-
stikt, althans verlamd is alle jeugdige illuzie, even als de lentebloem
door een onverwaehte naehtvorst gedood wordt. Eenzaam werkt de
jonge man in zijn school, hij is en blijft aan zich zei ven overgelaten,
moet geheel op zich zei ven steunen; want waar hij hulp en raad
meent te krijgen, daar wordt hij terug gestooten.
Zie dien bejaarden onderwijzer! Zijn haar verbleekt, en hij verlangt
vurig naar een steun, waardoor hem het zware, tot dusver trouw waar-
genomen ambt verligt wordt. Hij ziet de gewenschte hulp te ge-
moet met de gevoelens, die een vader bezielen, welke de aankomst
van den lang verwachten zoon verbeidt. — Wel komt eindelijk de
jonge helper, maar niet met de gezindheden eens zoons. Niet met
jeugdig vuur, maar met jeugdige opgeblazenheid en niet weinig prat
op zijn groene wijsheid, treedt de jongeling den grijze te gemoet,
haalt over diens inzigten en gevoelens meêlijdig de schouders op,
spreekt en droomt alleen van dringend noodzakelijke hervormingen
en snijdt met ieder onberaden woord diep in de ziel van hem, die
hem zoo hartelijk, zoo vol schoone verwachtingen welkom heette.
Ziedaar twee beelden uit het onderwijzersleven. Nadere ophelde-
ring behoeven ze niet, ze spreken voor zich zelve. Alleen dit woord
nog: Mogten onder alle omstandigheden de jonge onderwijzers er
steeds aan denken, dat ook zij eenmaal oud worden — mogten de
ouderen van dagen nooit vergeten, dat ook zij eens jong waren!
132.
Men bedriegt zich zeer, als men denkt, dat het afschrikkende der
straf juist in groote gestrengheid is gelegen en men dien ten gevolge
dingen doet, die de school tot een gerigtsplaats, den onderwijzer tot
beul maken. Dat is zelfs gevaarlijk, want men kan er bijna zeker van
zijn, dat het grootste deel der aanwezige kinderen partij trekt tegen
den onderwijzer en den bovenmatig zwaar gestrafte als held en mar-
telaar beschouwt, wiens smart door deelneming en medelijden ver-
ligt moet worden.
Niet in de mate der straf ligt haar afschrikkende kracht, maar
hierin, dat zij onfeilbaar op het kwade volgt, dus in de conse-
quentie. Hoe meer de onderwijzer met ■ vriendelijkheid onomkoop-