Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
128.
Een kinderwerkje moet geen roman wezen. Dat wordt het
ecliter, zoodra de sehrijver te zeer op wonderbare, ingewik-
kelde en vreeselijke voorvallen jagt maakt, — zoodra hij in
zoete, sentimentele schilderingen vervalt of de^overpeinzing in
plaats stelt van de rustige ontwikkeling der feiten; ook, als
hij het leven te zeer idealizeert. In zulke werkjes vindt de
jeugd een hoogst gevaarlijk, overspannend voedsel voor haar fan-
tazie en wordt zoo aan de werkelijkheid ontrukt, waarvoor zij
toch leven en werken moet. Zij wordt daardooi: vervreemd van
het ware schoone, van de natuur en haar eenvoudige taal. Juist
de verbeeldingskracht is de geheimzinnige bron, waaruit
dikwijls de eerste begrippen geput worden, begrippen, die zich
zóó vast in onzen geest drukken, dat ze, even alsof ze in erts
waren gegoten, nooit weêr uitgewisch!* kunnen worden. Ongeluk-
kig hij, die langs dien weg valsche begrippen opdoet. De
dwaasheid, die de ziel binnensluipt, als deze nog argeloos en bui-
ten staat is, om waarheid van bedrog te onderscheiden, verrast de
onschuld, ketent door verblinding en sluit met de fautazie een ver-
bond, waartegen dikwijls de trouwste zorg magteloos blijft.
129.
Wie altijd karrikaturen teekent, zal bezwaarlijk een edele figuur
kunnen scheppen; wie veel 't gemeene ziet, verstompt er tegen en
verliest tevens den fijnen zin voor 't schoone. Laat daarom niet te veel
booswichten in uw kinderboekjes optreden. Vervolg hun sluip-
gangen niet, kruip hen niet in al hun zondepoelen na. Gewen
daardoor de jeugd niet aan 't gezigt van 't slechte! Men weet
niet, in welke brandstof de vonk kan vallen, en handelt in allen
gevalle voorzigtiger, wanneer men zich aan't edele en schoone houdt.
De wereld zal het booze er buitendien wel bijdoen.
Een kinderboek, dat wezenlijk goed zal heeten, moet ook door vol-
wassenen, die een reinen, kinderlijken zin bewaard hebben, met
opregte belangstelling en innig welgevallen kunnen gelezen worden.
Aan heel kleine kinderen moet men natuurlijk niet te lezen geven,
maar ze slechts prenten laten zien en vertellen. Kinderboekjes
voor kleinen van zeven tot negen jaar zijn in den regel paedagogische