Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
64
Opregt gesproken: goede bezoldigingen moeten er zijn, want er
zijn geen vernederender, ontmoedigender zorgen dan broodzorgen.
Maar 't is er verre af, dat flinke traktementen flinke sebolen maken;
liooger dan flinke traktementen staan flinke harten. Harten, har-
ten zijn we noodig voor de seholsn, voor het volk eu zijn kinde-
ren, — harten, die, tot staal geworden door den straal der liefde,
zich in kommer en nood niet buigen en juist daardoor 't volk
toonen, dat wij menschen niet alleen van brood leven, maar ook
nog andere spijze kennen. Een goed inkomen is wenschenswaard en
voortreffelijk, doch het verwarmt het hart nog niet voor de school.
Daarom zijn d i e kweekscholen het hoogste te schatten, welke de
meeste beroepsliefde inboezemen en die 't verstaan, in de-jeugdige
harten de heilige vlam der geestdrift op te wekken en met de olie
der goddelijke liefde te voeden. Zij eerst leveren ons, wat wij ge-
bruiken kunnen, wat we noodig hebben.
121.
't Is een groot gebrek, dat wij veel te ligt vervallen in klassifl-
katiën, systemen en zoo al meer. Eer men er aan denkt, is men
van 't spreken en de taal in het systeem der taalkunde geraakt en
klassificeert zonder genoegzame opheldering er maar dapper op los.
Zoo ook met het rekenen, 't Is bekend, dat het rekenen met breuken
door vele onderwijzers voor het moeijelijkst gedeelte van 't rekenonder-
wijs wordt gehouden; maar de oorzaak daarvan is hoofdzakelijk hierin
te zoeken, dat de zaak te werktuigelijk gedreven wordt, te sehoolseh,
en steeds langs 't effen paadje, dat de een of andere handleiding aanbiedt.
De vruchten zouden veel beter en de weg aangenamer zijn, als de on-
derwijzer een tijdlang met breuken liet rekenen, zonder deze manier
vau rekenen als een bijzondere te kenmerken; als hij de kinderen
er toe leidde, om zonder uitdrukkelijk gegeven regels gemakkelijke
opgaven uit alle vier hoofdregels op te lossen. Eerst daarna be-
hoort het kind zelf de noodigste regelen aan de hand en onder de
leiding des ouderwijzers op te sporen. Wij komen meestal te vroeg
tot de regels; en in plaats van dezen als een gevolg der eenvoudige
aanschouwingen en verstandsoefeningen aan te merken, laten wij
dikwijls eerst na den regel de oefening volgen. Zou de ontwikke-
ling der geheele rekenkunst zoo geweest zijn? Ieder zal neen ant-
woorden en gaarne toegeven, dat de regel het laatst, eerst na
de proeven en oefeningen kwam.