Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
63
daarbij moet men vooral niet vergeten, dat alle spreken nog maai»-
een luidende schel is, als niet binnen in het hart liefde woont en
de taal doorgloeit.
Sedert vele onderwijzers er meer van houden, geschiedenisjes voor
te lezen, zijn goede verhalers in onze scholen zeldzamer gewor-
den; maar ik zou iedereen toeroepen: „Vertel! opdat ik zie, welk
een onderwijzer gij zijt!"
Een groote meester in de kunst van vertellen was de onvergete-
lijke Overberg. Toen hij eens over de paedagogische misslagen sprak,
waaraan zich zoo veel ouders schuldig maken en enkele voorbeelden
uit het leven er bijvoegde, riep een oude dorpsmeester, die de voor-
dragt bijwoonde en door de waarheid der levendige schildering diep
getroffen werd, in zelfvergetenheid luide uit: „Zoo doen ze ook
juist bij ons I"
120.
„Niets zal dieper ingrijpen en veelomvattender werken, dan de
verbetering van den uiterlijken toestand onzer volksonderwijzers.
Geld is de leus van het heden, geld het scheppende factotum des
nieuweren tijds. Hebben onze onderwijzers een beter inkomen, dan
kan 't niet missen, of jongelieden uit den meer gegoeden, beschaaf-
den stand zullen zieh aan het beroep toewijden, terwijl nu de kweek-
scholen uit den geringen stand bevolkt worden; dan zal het spoedig
zooverre komen, dat men den stand meer acht. Hebben onze onder-
wijzers een toereikend inkomen, dan zullen zij ook meer moed en
gevoel van eigenwaarde hebben, en dan kan men met zooveel te
meer regt verbolgen op hen zijn, als ze hun verdere beschaving
verwaarloozen."
Zoo spreekt het heden. En er ligt veel waars in die woorden; de
geheele waarheid ligt er echter niet in.
Zou het geld werkelijk het eenige factotum zijn? Zou het t-;t
dusverre wezenlijk alleen aan de geringe bezoldiging hebben gelegen,
dat onze volksscholen nog geen krachtiger bronnen van ware volks-
beschaving zijn geworden? Men werpe een vorsehenden blik om zich,
om die vraag goed te beantwoorden.
Zijn er onder de onderwijzers aan gymnasiën en middelbare scholen,
die toch veel beter bezoldigd worden, ook geen 1 oondienaars, die huu
verheven beroep als een handwerk drijven? Zijn onder de geestelijkcii
juist altijd diegenen het ijverigst, welke 't grootste inkomen hebben ?