Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
teregtwijzend woord niet regt over de lippen wil, — dat ons tegen-
over hem, wien we gaarne een goeden raad gaven, dikwijls de
gedaehte als ingeblazen wordt: „Praat hier, zooveel ge wilt; 't is
toch alles in den wind gesproken." Dat is een bittere gewaarwor-
ding, want eensdeels is het pligt, om steeds op het goede te wijzen,
en anderdeels gevoelt men maar al te zeer, dat men in een geval
als dit water in bodemlooze vaten draagt.
IJdelheid en eigenwaan staan zeker niemand slechter dan den
onderwijzer. Waarom spreekt men juist bij voorkeur van school-
meestersverwaandheid en priestertrots? Waarom zoo zelden over
trots en verwaandheid bij andere standen? Antwoord: „Iedereen ge-
voelt, dat beide, teregt verfoeide gebreken 't allermeest den onder-
wijzer en den geestelijke ontsieren en met hun ware roeping in schreeu-
wende tegenspraak staan. Daarom is ook de wereld het aller-
minst geneigd, om de ijdelheid des onderwijzers te verontschul-
digen, laat staan te bevredigen. Daarom mag men met zeker-
heid veronderstellen, dat de ijdeUte onderwijzers altoos de onge-
lukkigste zijn.
116.
Onder de Oosterlingen leven menschen, die van 't vertellen
hun handwerk maken, en men leest met belangstelling in reisbeschrij-
vingen, hoe zij de opmerkzaamheid weten te boeijen, hoe zij de
spanning ten top voeren en hun toehoorders tot ademloos zelfver-
geten dwingen. En welk een rol speelt „het vertellen" ook nog bij
ons, overal, waar zich maar eenige overblijfselen van gezond volks-
en familieleven vertoonen! Menig gelagkamer kan daarvan getuigen
en niet het minst — de kinderkamer. Er is immers naauwelijks
iets schooners en innigers, dan een moeder, die 't kind op haar schoot
iets vertelt, — niets zaliger, dan een kind, dat met vonkelend oog
en ingehouden adem aan de lippen der moeder hangt.
Een onderwijzer, die niet vertellen jkan, mag ik naauwelijks
aanzien. Hem ontbreekt een hoofdmiddel tot vorming van het hart
zijner leerlingen.
117.
Het vertellen is een moeijelijke kunst; menigeen gelooft, dat hij
die kunst verstaat, en is toch maar een vervelende, langdradige prater.