Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
112.
Er gaan van onze jonge onderwijzers te platten lande velen enkel
en alleen ten gronde, dewijl het hun aan geschikten omgang ont-
breekt; velen bederven hun toekomst voor altijd, omdat ze hun
ledige, eenzame uren niet nuttig weten te besteden. Terwijl ze in
een stil dorp leven, bekruipt hen natuurlijk soms het drukkende
gevoel van verlatenheid, van alléén-zijn, en wanneer het hun nu
aan warmen beroepsijver, aan levendigen lust voor de wetenschap
ontbreekt, dan strekt de herberg haar lange armen naar hen uit,
dan komt de klip der boeren-familiariteit, waarop zoo velen schip-
breuk lijden, en — vroege, onbekookte huwelijken leggen eindelijk
den grond voor kommer en broodzorgen.
De eerste vijf of, zes jaren van zijn beroepsleven beslissen in den
regel over 't gansche verdere leven des jongen onderwijzers. Wel
hem, als hij in die jaren wakkere ambtgenooten en een degelijken,
trouwen, welmeenenden schoolopziener heeft, — als hij verder in een
omgeving leeft, die hem tegen den vloek der gemeenheid in bescher-
ming neemt, die hem zedelijk en verstandelijk hooger brengt. Dan zal
hij, wanneer de grond zijner vorming de ware, echte is geweest,
niet verloren gaan, maar uit den strijd de kroon des waarachtigen,
eeuwigen levens als overwinnaar wegdragen.
113.
De nieuwere paedagogiek is niet geheel vrij gebleven van wereld-
lijken invloed. Zij jaagt te veel naar uiterlijke verbeteringen, naar
nüchteren afrigting tot een bepaald doel; ze zou gaarne den leerling
voor alle maatschappelijke betrekkingen „klaar maken" en daarbij
tevens den trechter uitvinden, die van den kant der onderwijzers
slechts weinig beroepsliefde, goeden wil en volharding verlangt,
't Gebrek aan zelfgenoegzaamheid, de ophemeling van het lieve ik,
de ontevredenheid en geblazeerdheid van onzen tijd, waarvan helaas
ook een deel der onderwijzerswereld niet oubesmet is gebleven,
staan in een zeer naauw verband met dat eeuwig zweepende, jagende
„voorwaarts", dat ons naauwelijks veroorlooft naar de voeten te
kijken, iederen terugblik afsnijdt cn alle rustige, ernstige overden-
king onmogelijk maakt. Zagen wij terug, konden we dat met onbe-
ncvelden blik, we zouden tot onzen schrik en onze beschaming
duidelijk bemerken, dat het verledene oneindig veel schoons in zich