Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
58
en dan uit het hoofd op te schrijven. Dat zich daarmee veel woord-
en zaakverklaringen moeten verbinden, spreekt van zelf. De den-
kende onderwijzer zal echter verder gaan en aan de leesuren niet
alleen het weinige uit de taalkunde knoopen, dat in de lagere school
t'huis behoort, maar ook dat deel der spelling, 'twelk door het oog
geleerd moet worden. Hij zal enkelvoudige volzinnen in 't meervoud
laten lezen, bedrijvende zinnen in lijdenden vorm laten zetten en
omgekeerd, door eenvoudige opmerkingen ze beter doen verstaan,
ze met andere woorden laten uitdrukken, -— hij zal uit de plaats
en de beteekenis der woorden de rededeelen leeren kennen en daar-
aan eindelijk mondelinge en schriftelijke oefeningen knoopen. Zoo
worden dc leesuren een ware geestesgymnastiek, terwijl zij tot nu
toe nog maar al te dikwerf het hunne bijdroegen tot geestver-
stomping.
m.
Het lezen op den regten toon leeren de kinderen nooit alleen
door regels. Niemand onder de goede lezers zal willen bewe-
ren, dat hij zijn kunst enkel door regels heeft geleerd. "Veel, zeer
veel hebben hem de goede voorbeelden geholpen, die een geluk-
kig toeval hem te hooren gaf. Een slecht schrijver kan kalligrafen
vormen, wijl hij door voorschriften en een goede methode aanvul-
len kan, wat hem zelf ontbreekt; maar nooit zal een onderwijzer,
die zelf slecht leest, van zijn scholieren goede lezers maken, 't Eer-
ste vereischte is dus, dat de onderwijzer zelf goed leest en de kin-
deren daarin als voorbeeld kan dienen.
Daartoe moet hem vooral het verband tusschen lezen en spreken
duidelijk zijn. In een gesprek geeft ieder doorgaans de juiste
klem aan de woorden en wel des te beter, naarmate hij meer van
het onderwerp zijner mededeeling is doordrongen en minder op zich
zeiven let. Hoe natuurlijker, hoe beter. Hij legt den toon
goed, als hij weet, wat hij zegt. Daarom zal een leerling eerst
datgene goed lezen, wat hij met behulp van zijn onderwijzer vol-
komen heeft leeren begrijpen. Twee dingen zijn noodzakelijk, als
er in een school goed zal gelezen worden, namelijk: het voorbeeld
des onderwijzers en het verstaan van de leesstof. Als aan die
eischen is voldaan, kan eerst de akelig klinkende schooltoon ver-
dwijnen, die nog zoo dikwijls het lezen tot een plaag voor ons oor
maakt.