Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
55
kwaad nog erger. Hij beproevc 't integendeel eenSj in de woeligste
oogenblikken met gedempte, halfluide stem te spreken, en de klei-
nen zullen schrikken over hun eigen stoutmoedigheid en spoedig naar
den spreker luisteren.
Hoe hartstogtelijker de mensch is, des te zwakker zijn dikwijls
zijn bewijzen voor een waarheid; hoe meer hij zich in dezen of genen
kritig soms eerbied en achting zoekt te verwerven, des te luider en
gejaagder spreekt hij. Reeds daarom alleen dient de leeraar er zich
op toe te leggen, den waren middenweg te betreden.
. Alleen 'de juiste middenweg geeft ons ook die schoone heerschappij
over de stem, welke ons in staat stelt, door de afwisseling van
kracht en smeltende zachtheid de harten waarachtig te roeren.
Rust schept slechts hij, die rust heeft; maar de rustige schreeuwt
niet.
106.
't Is een ongeluk, dat zoo velen, als ze van taalkundig onderwijs
hooren, dadelijk aan grammatische regelkraam denken en daardoor
't einde bij 't begin plaatsen. Niet de taalkunde met haar systeem,
maar het spreken, die frissche, natuurlijke handeling staat voorop;
de taal is niet uit dc taalkunde, maar deze uit gene geboren. "Wan-
neer de onderwijzers den kostbaren tijd, dien zij met onvruchtbare
bepalingen van eigen- en stofnamen, van transitieve en intransitieve
werkwoorden, van subjekt, praedikaat en dergelijke meer vermorsen,
tot praktische oefening der kinderen in spreken, lezen en schrijven
aanwendden, we zouden heel andere vruchten zien dan nu. Heb-
ben wij, volwassenen, dan juist onze vaardigheid in spreken en
schrijven uit Brill of Roorda geleerd? Hebben we haar niet veel
meer verkregen uit den omgang met beschaafden, uit de lektuur
van goede boeken, heel ongemerkt cn bijna zonder moeite, zoo als
men in goed gezelschap goede manieren leert? Daarom is ons taal-
onderwijs zoo zonder vrucht gebleven, wijl alle toepassing ontbrak, —
wijl men van louter aanwijzing, hoe te schrijven, hoe te sprekcu,
niet tot het schrijven en spreken zelf kwam. Veel uit de taal laat
zich overigens goed verklaren zonder die geleerde terminologiën,
die wel op booze tooverformulieren gelijken, welke veel onderwijzers
binnen een noodlottigen kring gebannen houden, 't Zou toch waar-
achtig de taal bankroet verklaren heeten, als men de kinderen geen
volzin zonder die geleerde bepalingeu duidelijk aan 't verstand kon