Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
dien is de toepassing van zulk een arrogante meening onmogelijk , —
even onmogelijk als het leiden en afperken der zonnestralen. Laat ons
toch alle begrenzing in 't geestelijke aan Hem overlaten, die met het
vermogen zelf de grens er van heeft geschapen, ■—■ die in zijn wijsheid
ook daarvoor heeft zorg gedragen, dat de boomen van het dal niet
tegen de bergen oploopen of tot in den hemel groeijen.
99.
Verstand en beschaving strijden niet met godsvrucht en deugd,
integendeel, zij leeren die, want zij leiden tot het gevoel van eigen
geringheid, en daardoor tot loare nederigheid. Om het slechte te
verwerpen, moet men het kunnen onderscheiden en zijn gevolgen
kunnen berekenen; daartoe kan ons echter noch ruwheid, noch
domheid breugen. — Of zijn gemeenheid en zonde misschien zeld-
zamer onder de onverstan,digen dan onder dc verstandigen? Ook het
^«weten is een weten, een weten van het goede en slechte.
100.
Trommelen en trompetten behoort tot het handwerk, en — de
wereld wil bedrogen zijn. Of wij haar echter bedriegen mogen, is
een andere vraag. Als men aan onnoozele kinderen blanke legpennin-
gen geeft, moet men ze hun niet voor echt zilver in de hand stoppen.
Elke afrigting, ieder dressuur valt de groote menigte sterk in
de oogen en wordt met bewondering door haar aangestaard, wijl
zij slechts het uiterlijke ziet en begrijpt. Een dansmeester wordt mo-
gelijk hooger geschat dan een schoolonderwijzer, en zijn verdiensten
worden meer erkend; maar daarom willen we toch geen dansmeesters
worden, die bij slot van rekening toch allen naar de pijpen van
't publiek dansen.
De onderwijzers doen zich zeiven op dat punt zeker niet altoos
een opregte bekentenis, anders zouden wij wat minder van buiten
geleerds, wat minder kunststukjes en geheel geen deklameerproeven
meer in de school ontmoeten.
101.
Hoe meer een school op een eerlijke en deugdelijke wijze naar
heur waar doel met ernst en ijver streeft, hoe meer zij deu inwen-