Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
kring trekken. Zoo als de gewigtigste oogenblikken van ons be-
staan: geboorte en graf, leven en betrekking tot de onzigtbare
wereld, aan gene zijde der grens liggen, welke niet het verstand,
maar slechts het geloovig vertrouwen kan overschrijden, — zoo plaatst
ons ook de sage op den bodem van 't wonderbare en onbegrijpe-
lijke en herinnert ons in de liefelijkste gestalte aan ons raadsel-
achtig zijn en aan de kinderlijke betrekking, waarin wij tot den
Oorspronkelijke en Onbegrijpelijke staan.
92.
Zoo als eens de poëzie eigen was aan de kindsheid der volken en
haar na aan 't harte lag, zoo is zij ook nu nog niet minder met de
jeugd bevriend en verwant. Doch zij moet geen bespiegelend, kunstig
rijmwerk, maar, gelijk toen, echte natuurpoëzie zijn, een frissche bloem
des wouds en des velds, maar geen ziekelijke bloem der broeikast-
en kamerlucht. Het karakter der ware poëzie ligt hierin, dat zij in haar
treffenden eenvoud eiken leeftijd iets brengt; dat zij als frissche bloe-
sem den een de vreugde aan kleurenpracht, den ander 't genot van
zoeten geur, den derde beiden verschaft, en dat zij niet veroudert,
manr altijd joug, altijd frisch en altijd nieuw blijft.
De praktische toepassing laat ik hun over, die leesboeken voor
de jeugd willen schrijven, of die naar geheugenoefeningen rondzien.
93.
Bij Tineus lees ik: Roemt gij de dagen uwer jeugd niet als de
schoonst en van uw leven? Waarom dan uw kinderen dat genot ont-
zegd en hun de bloemen onthouden, waarmee God de poort des
levens heeft getooid, opdat de mensch, door haar geuren verkwikt,
moedig het hobbelig pad des levens betrede? Waarom hen uit het
paradijs der jeugd verdreven en hen dadelijk overgezet in eeu land,
dat zooveel doornen en distelen voortbrengt? O, verstoort het kin-
derlijk genot niet; want gij verstoort een hemel. Laat uw kinderen
kinderen blijven, zoolang het immer gaan mag. lu ieder tijdperk
van ons leven moet het naastvolgende voor onze opgetogen verbeel-
ding staan als een groot, heerlijk raadsel, naar welks oplossing wij
verlangen. Wie de oplossing te vroeg in handen krijgt, vindt het
raadsel vervelend. Laat de kinderen kinderen blijven, opdat zij waar-
lijk tot mannen mogen opgroeijen.