Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page

76.
Ik heb ceu jougen onderwijzer gekend, die in een eenzaam, van dc
wereld verwijderd dorpje woonde. Zijn plaats bragt hem slechts zeer
weinig op. Hij had den grond van zijn tuin naast zijn woning al-
lengs verbeterd, had liefhebbers van bloemen in de stad gevonden,
die hem gaarne van hun rijkdom mededeelden, en men verheugde
zich, als men zijn plekje grond en de pracht zijner bloemen zag.
Hij kweekte ook eenige fijnere gewassen in potten, en zij beloon-
den hem daarvoor door frisschen groei en overvloed van bloemen.
Hij 'zelf zeide tot mij: „Dat is hier 't eenige, wat mij na mijn
moeitevol schoolwerk vreugde en verkwikking verschaft; ik kou het
anders in mijn verlatenheid bezwaarlijk uithouden."
Werkt zulk een voorbeeld ook niet gunstig op den doi-psgeiiool,
meer dan teregtwijzingeu en lessen? — Eerst ziet hij het nieuws-
gierig en hoofdschuddend aan, dan verheugt hij zich over den goe-
den uilslag en... volgt na, wat hij gezien heeft. Ook tot zijn ver-
edeling draagt het bij, want het leert hem naast het nuttige ook het
schoone beminnen.
Eindelijk — een onderwijzer, die het niet verstaat in zijn leer-
lingen den zin voor de natuur en haar duidelijke, schoone taal op
te wekken, zou ik het liefst — uit de school verwijderen.
77.
Als men wil weten, of iemand meester iu zijn school is, dan moet
men daarop letten, of hij de kunst verstaat, alle kinderen gelijktijdig
passend bezig te houden. Veel onderwijzers schijnen naauwelijks te
weten, van hoeveel belang dat is. Komt onder anderen een schoolop-
ziener onverwacht dc school binnen, dan houden ze zich in den regel
met één afdeeling bezig en, bekommeren zich om alle overigen zoo
weinig, alsof ze er niet waren. Men kan iu een school ook mechu-
nisme wenschen, in zoover namelijk, dat de bezigheid van allen en
van ieder zóó geregeld is, dat alles als van zelf gaat.
Daar oefening in ieder school een hoofddoel blijven moet, als
cr niet enkel bij den dag zal geleerd worden, zoo is zelfwerk-
zaamheid voor de kinderen onontbeerlijk; maar erg is het, als
die zelfwerkzaamheid in onbestemde, stille droomerij cn daardoor in
verstrooidheid ontaardt.
Dat kinderen zich zcK kunnen bezig houden, en het zelfs gaarne