Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
liuii weten kinderen en geraken eerst zeer laat of in 't geheel niet
tot een grondige kennis der moedertaal. In den laatsten tijd is daar
de kwestie der zoogenaamde nieuwe spelling nog bijgekomen. Ik
voorzie, dat ook daarmeê veel kostbare tijd zal vermorst worden.
Voor een groot deel vorderen de veranderinegu, die op dat gebied
door een paar taalgeleerden zijn voorgeslagen, een geloovig aannemen
van den kant der leeken. En enkel geloovig aannemen is doodend
voor de ontwikkeling. Wat hebben we gedurende de laatste maan-
den in onze sehoolbladen niet al wijsheid zien te luchten hangen
over het wenschelijke of niet-wenschelijke der nieuwe spelling! En
dat dikwijls door menschen, wier stijl en taal bitter om hulp schreeuw-
den, niet om een ct. voor een g, maar om logischen gedachtengang,
niet om een t voor een d, maar om grammatisch verband.
73.
Wie met vrucht zijn moedertaal wil ouderwijzen en daarbij voor-
namelijk vaardigheid in de mondelinge cn schriftelijke uitdrukking der
gedachten op 't oog heeft, moet zelf volkomen meester zijn over dc
taal. Dat wordt men echter niet door een dor geraamte van taalregels,
maar door den omgang met de frissche , levende taal zelve, en daarom
is't zeer te betreuren, dat onze onderwijzers hun moedertaal meest
alleen in drooge handleidingen voor stijl- en taalkunde bestuderen.
Mogten toch dc volksonderwijzers zooveel mogelijk zich tot die fris-
sche , in waarheid verkwikkende bronnen wenden, die eeuwig onuit-
puttelijk uit de geschriften onzer edelste geesten opwellen, en over-
tuigd worden, dat zij zóó die jeugdige frischheid kunnen verkrijgen,
welke voor 't onderwijzersberoep zoo dringend noodzakelijk is. Uit
zulke werken, als men ze met goede keuze en op goede wijze leest,
leert men meer en beter Nederlandsch, dan uit honderd handleidin-
gen voor stijl- en spraakkennis.. Een goede bloemlezing nit de wer-
ken onzer beste schrijvers dient ieder kweekeling en onderwijzer ten
dienste te staan, opdat hij door die lektuur aan ware beschaving
cn tegelijk ook aan taalkennis winnen kan. Men kan het niet genoeg
beklagen, dat de beste voortbrengsels onzer letterkunde over 't al-
gemeen onzen onderwijzers zoo vreemd blijven. Wie een goed, naar
inhoud en vorm meesterlijk werk leest, niet vlugtig maar herhaald
en grondig, die bekwaamt zich stellig voor een vruchtbare mede-
deeliug zijner taal.