Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
regters, kunstenaars, hanJwerkslieden, kooplui, marskramers, beulen,
beulsknechten en spitsboeven. Dat alles kan van u grocijen, al
naardat gij oppast."
67.
Hoe menig kind is door zijn ouders en onderwijzers reeds mis-
kend ! Hoe menig vermeende domkop heeft later de wereld verlicht,
hoeveel schijnbaar weerspannige en lastige knapen zijn later de edel-
ste, nuttigste menschen geworden! Ook in dezen vindt het woord
der schrift zijn toepassing: „Oordeelt niet, opdat gij niet geoor-
deeld wordt."
Hoe menig kind kan ook, omdat het miskend en naar bevooroor-
deelde inzigten behandeld werd, werkelijk datgene geworden zijn,
wat het naar de eens opgevatte, hardnekkige meeniug zijns opvoeders
was eu altijd wezen moest. In een oud vertelsel gelooft iemand zelf
aanzijn dood, wijl iedereen hem als doode behandelt en, als hij zich
vertoont, vol schrik op den loop gaat. Ook de geestelijke dood komt
daar wel eens, waar men dien onvoorzigtig eu voorbarig aanneemt.
Wanneer iedereen u vertelt, dat gij dom zijt eu u als zoodanig be-
handelt, dan is 't geen wonder, dat alle kracht en zelfvertrouwen
iu u verstikken en uw schroomvalligheid en linkschheid eindelijk die
valsche meeniug bevestigen.
68.
Kiets is moeijelijker, dau bij de jeugd de werkelijke domheid vau
die schijnbare, bcdriegclijke domheid te onderscheiden, welke de
voorbode van een krachtigen geest is. Bij den eersten oogopslag
schijnt het zonderling, dat twee uitersten zich met zoo gelijke tee-
kens aankondigen. Dat moet echter zoo zijn. R''ant op een leef-
tijd, waarin de mensch nog geen werkelijke begrippen heeft_, bestaat
het geheele verschil tusschen hem, die geniaal van aanleg en hem,
die het niet is, slechts hierin, dat de laatste onklare, valsche begrip-
pen opneemt, terwijl dc eerste, omdat hem maar al te dikwijls slechts
zulke geboden worden, eenvoudig weigert, ze op te nemen. Het
toeval werpt niet zelden het ware licht over beiden: het geeft den
een soms een denkbeeld, dat onder zijn bereik valt en waarvan hij
zich gretig meester maakt, terwijl de auder steeds blijft, die hij is.
Hoe deerlijk bedriegen zij zich dikwerf, die een kind al te spoe-