Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
een brokje suiker, de minne met een sprookje, de baker met een dot,
de vader met een dreigement, de meester met den stok, de staat met
'zijn langen, gevaarlijken arm. En vertoont zich een eigen kracht,
verroert zich, stamelt slechts een kracht, — dadelijk wordt ze weg-
gevleid, weggekanseld of weggeklopt.
Zóó worden wij „welopgevoede" menschen, zód krijgen wij mooije
talenten. Weet ge, wat een mooi talent is ? Een talent is een groote,
vette ganzenlever, 't Is een ziekte; om de lever wordt het geheele,
stomme dier opgeofferd. Wij worden in een hok gesperd, mogen ons
niet bewegen, opdat wij goed vet worden, worden gepild met afge-
paste moraal en gezifte wetenschap, — en dan zuchten en blazen en
stikken wij haast van moraal-geleerdheid en cachot-angst. Nu komt er
een oude keukenmeid van wege de regering, betast ons, prijst ons,
slagt ons, ropt ons en gebruikt onze schoone talenten. Ik wou wel
eens weten, wat er nog aan ons sterft, wat de dood nog voor bij-
zonders aan ons vindt. Maar de dood is een arme hond; bij krijgt
niets dan botten, — zelden dat er een compleet mensch voor hem
overschiet."
56.
Vele onderwij.öers klagen over de vergeetachtigheid der leerüngen; ze
zeggen, dat dezen soms morgen niet meer weten, wat ze heden hoorden.
En toch is 't een daadzaak, dat de kinderen over 't algemeen een
buitengewoon geheugen hebben, zooals zij door het snelle aanleeren
der moedertaal bewijzen. Doch hoe dat zij, zóóveel is zeker, dat de
vergeetachtigheid onzer jeugd slechts op tweederlei wijze met goed
gevolg kan worden bestreden. Zij wortelt óf in onvoldoende en te
zwakke indrukken, die snel verwaaijen, óf in verstrooidheid.
De taal brengt door het gezellig verkeer hare menigte, woorden en
woordvormen dagelijks en ieder uur tallooze malen in ons oor en daar
zich aan dat onophoudelijk herhalen tevens liet gebruik paart, zoo is
het vergeten genoegzaam voorkomen. Hiermee wordt de school een
gewigtige wenk gegeven. Herhaling, voornamelijk bij wijze van zelf-
gebruik, is het eerste hoofdmiddel, om 't vervloeijen van kundigheden
met goed gevolg te voorkomen.
De verstrooidheid overwint men slechts dooi de belangstelling in een
onderwerp op te wekken. Hoe meer de onderwijzer zijnen leer-
lingen liefde voor dc leerstof weet in te boezemen, des te minder
zal hij over een zwak geheugen der kleinen hebben te klagen. Voor