Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
„Dat bij dergelijk onderzoek flinke, ontwikkelde jongelingen, —
vooral bij gestrenge toepassing van 't zoogenaamde puntensysteem, —
gevaar loopen van afwijzing of werkelijk afgewezen worden, is zeer
erg, maar nog oneindig erger is het, dat jonge menschen zonder
aanleg of zonder werkelijke kennis bekwaam, worden verklaard als onder-
wijzer, alléén, omdat ze hun hoofd met namen en cijfers hebben gevuld."
53.
Onze geest moet geen korenzolder worden, waarop het graan wel in
zware stapels ligt opgetast, doch zonder ooit vrucht te dragen; een akker
moet hij zijn, die, geploegd en voorbereid ter zaaijing, de enkele kor-
rels opneemt, bewaart, doet ontkiemen en tot plant en vrucht rijpen.
54.
Zeer karakteristiek is in den mond van 't volk de uitdrukking: „hij
is goed geleerd." Ik heb die menigmaal zoowel op dieren als op
menschen hooren toepassen. „Mijn hond is goed geleerd," evenzeer
als: „mijn zoon is goed geleerd." Men kan dat ook omdraaijen;
alzoo: „mijn zoon is goed gedresseerd" en: „mijn hond is goed ge-
dresseerd."
Of is het dagelijksch gezegde: „hij heeft een goede opvoeding ge-
had" bij velen uit den zoogenaamd beschaafden stand dikwijls niet
synoniem met: „hij is goed gedresseerd ?"
Er zijn drie rigtingen in de menschendressuur. De zweep bij de
eerste heet: „Wat zegt Men?" bij de tweede: „Wat moet ik wor-
den?" en bij de derde: „Heere, Heere!" Alle drie zijn karikatui-en
van waarachtige opvoeding, d. i. vrije, harmonische ontwikkeling der
zielekrachten.
55.
Die karikaturen worden door Bórne met de volgende bijtende woor-
den gebrandmerkt:
„Waar blijven toch de taUooze ongebruikte, ongenoten krachten van
al die müKoenen menschen, die niets zijn, die niets mogten worden?
De opvoeding slaat ze dood.
O, die opvoeding! Zoodra een mensch geboren wordt, omringen
en bespieden hem de moeder, de minne, de vader, do baker; later
komt de meester, nog later de politie er bij. De moeder komt met