Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
24
trots, welke voor ieder den neus optrekt, die naar grond en verkla-
ring der nieuwbakken wijsheid vraagt. Zoo gaat de zelfstandigheid der
gedachte verloren en daarmee 't eigenlijke, levende grondbeginsel van
alle wetenschap. Wetenschap en kunst wenden toornig haar aangezigt
af van zulke onwaardige, ijdel klappende, onbeduidende jongeren.
En van waar die verwarring? De groote, de hoofdoorzaak ligt in
't gebrek aan behoorlijke schoolstudie, aan de grondige beginselen der
wetenschap.
50.
De zelfstandigheid der gedachte — 't eigenlijke, levende grondbe-
ginsel van alle wetenschap.
Ik herhaal die woorden en onderstreep ze. 't Ware te wenschen,
dat ze ons allen met gloeijende letters in de ziel geschreven stonden.
Ik denk hierbij onwillekeurig aan onze jonge onderwijzers, aan -de
acte-examens en aan de klagten, die naar aanleiding van de laat-
sten over de eersten worden aangeheven. Zijn die klagten gegrond?
Wie met een onpartijdig oor de examens, waar die volgens de wet
inderdaad publiek worden afgenomen, in verschillende provinciën heeft
bijgewoond, is gedwongen ja te zeggen, — in den regel althans. Het
ergert en bedroeft ons, als we hooren, hoe vele jonge onderwijzers
altoos en altoos weêr de woorden van een boek in den mond hebben
in plaats van hun eigen woorden, — hoe ze geheel uit 't veld zijn
geslagen, als de examinator opzettelijk of toevallig buiten de termen
van een of ander studieboek gaat en op 't veld van algemeene waar-
neming treedt. Bij den een is dat gebrek aan zetf-denken het gevolg
van gebrekkigen aanleg, bij den ander komt het voort uit gebrek aan
inspanning of goede leiding. „Mijn jongen heeft een te zwakke borst,
, te zwakken arm, te zwak gestel, enz. om een ambacht te leeren, —
bij moet maar schoolmeester wordea!" Dergelijke woorden hoort men
veel onder den kleinen burgerstand. Tan zwakke hersens is geen
sprake; daarop komt het natuurlijk niet aan. Ziedaar het eerste geval.
Wij behoeven er niet langer bij stil te staan. Slagtoffers van de voor-
beschikking hunner domme ouders zijn als onderwijzers niet te redden.
Hun, die in het tweede geval verkeeren, kunnen we niet genoeg
op 't hart drukken: Praat geen boeken of mensehen na, maar spreekt,
wat gij zelf denkt; zegt alleen, wat gij begrijpt, — alleen wat gij
begrijpt, dat hebt gij, dat is uw eigendom. De gedachte van een ander
wordt niet de uwe, als gij die nagesproken, maar alleen, als gij die
ns.-gedacht hebt. Verlaagt u niet tot eksters, maar wordt menschen.