Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
geleerde aan den man te brengen, om daarmee op examens of open-
bare lessen voor de lieve jeugd als geleerde te schitteren; men denkt
zich geroepen, de wetenschappen te verbreiden, en gelooft, dat anderen
goed genoeg zijn, om 't A B C te onderwijzen; daartoe, meent men,
zijn domkoppen ook in staat. De eenige wensch is, om de hoogste
klasse magtig te worden, en dan..... vergelijkend examen! post!
weg met de eerste beginsels! die laten we den ondermeester over,
dan uitgekraamd, wat wij weten.....o heerlijke tijd!
Ik kan niet toegeven, — want eigen ervaring weerspreekt het te
luide, —^at het werk in een hoogere klasse dankbaarder is, dan in
een lagere; maar ik geef toe, dat het laatste moeijelijker is en een
meer frissche kracht vereiseht. Alleen de onderwijzer in een ele-
mentaire klasse kan uit volle overtuiging en met waar zelfgevoel
zeggen, dat de kleinen hem alles, wat ze kennen en kunnen, te
danken hebben; alleen die kleinen zullen hem daarvoor met volle
liefde aanhangen. Alleen van, in en met die kleinen zal hij dc ware
kinderwereld leeren kenneil en de geestelijke ontwikkeling in de zui-
verste reinheid kunnen aanschouwen. Rn wat kan hartverheffender
zijn, dan den ontwakenden geest zijn eerste opwekking, voedsel en
rigting te geven.
Ja, 't is een treurig ding, schooW^^^^r te zijn; laat ons daarom
van ganscher harte onderwijzer worden.
33.
Menig jonge ouderwijzer zal hierbij wel 't hoofd schudden en
zeggen: „Waartoe heb ik dan zooveel geleerd? Als ik 't niet mag
aanwenden, is 't immers ballast."
Ik kan hem slechts antwoorden: Tot uw eigen versterking, lieve
vriend. Een onderwijzer kan niet teveel leeren, maar wel te veel me-
dedeelen. Draag wijsheid eerst eenige jaren met u om, en tracht
er nog veel bij te leeren en u alles helder ie maken. Hoe meer gij
geleerd hebt, des te meer zult gij ertoe komen, u als echt onderwij-
zer en opvoeder in de mededeeliug te beperken. Een groot man zei:
„In de beperking toont zich eerst de meester!"
34.
Hoe kan men den Heer beter dienen dan hierdoor, dat men zijn
voortreffelijkst werk, den mensch, veredelt, dat men de krachten tot